Een vakantietocht door Frankrijk

Omdat onze Matchless G 80 s uit 1957, die we in december kochten, zich na een kleine opknapbeurt uitstekend hield, ongeveer 3000 km in twee maanden, leek ons een vakantietocht hiermee wel haalbaar. De motoren die we tot dan toe hebben gehad boezemden wat dat betreft niet al te veel vertrouwen in. Maar de tijd van ritjes naar Utrecht of Rotterdam die wel wereldreizen leken wegens de tijd die ze kostten (repareren, liften e.d.) was nu wel voorbij. Een doel hadden we niet, behalve de richting: zuiden.

Vlakbij Genève. Alle foto’s: Inge van Hesteren

______________________________
Eigenlijk al in 1977 begonnen we onze journalistieke loopbaan, met verhalen voor het clubblad van de Nederlandse AJS en Matchless Vereniging, ‘Satisfaction Guaranteed’. We vormden ook zelf de redactie. Dit verhaal publiceerden we in het septembernummer van 1977. Enigszins geredigeerd met de kennis van nu (2026).
_____________________________

Om toch ergens op te mikken, zouden we naar de ‘Camping Moto’ gaan, waarover enige tijd geleden iets in ‘Motor’ stond. Dat komt neer op zo’n 1500 km heen en terug, dus niet al te ver. Nieuwe olie erin, alles goed afstellen en vastdraaien, een bagagerek gelast en een paar tassen geleend; naast wat reservedelen en gereedschap waren dit de voorbereidingen. De geperst stalen (wat een waardeloos systeem!) primaire kettingkast lekte wel een beetje, maar niet zoveel dat het een probleem werd. Elke 300 km navullen was voldoende.

Op een snikhete maandag in juni besloten we om half vijf ’s middags maar eens te vertrekken. Wegens de warmte besloten we de regenkleren thuis te laten, wat later toch wel een vergissing betekende. Vol goede moed vertrokken we via Turnhout en Luik naar de Ardennen. Op de kaart
hadden we alvast zoveel mogelijk bergachtige en bochtige wegen uitgezocht.

Om een beetje op te schieten namen we eerst toch maar de snelweg naar Luik. Met het voorscherm en de zware bepakking konden we nog gemakkelijk een kruissnelheid aanhouden van ongeveer 100 kmu. De topsnelheid lag nog in de buurt van de 120-130, maar als je dat lang volhoudt tril je er finaal af en overal komt olie doorgezweet. Toen het na Luik wat bochtiger werd, bleek de motor nogal te zwabberen. We zetten de achterdempers in hun hoogste stand en pompten de banden wat op. Zo ging het beter; een kleine beweging bleef echter merkbaar en pas toen we terug waren bleek de oorzaak te liggen in versleten achtervorklagers.

’s Avonds om acht uur stopten we 40 km voor Bastogne bij een camping met het uitnodigende bordje ‘Koffie is Klaar’. Daar hadden we wel zin in. De campingbaas was een Nederlander die enorm sterke verhalen kon vertellen. Omdat het nog voorseizoen (juni) was, waren wij de enige kampeerders en daarom nodigde hij ons uit om in zijn stacaravan een borreltje te
komen drinken. Dat bleek neer te komen op een halve fles Rémy-Martin de man en enige uren luisteren naar ongeloofwaardige verhalen.

Verder met houten kop

De volgende morgen gingen we met een houten kop weer verder. Via Luxemburg, Metz en Nancy naar het zuiden. Noord-Frankrijk is nu niet bepaald een aantrekkelijke streek, je ziet alleen maar fabrieken, kolenmijnen en rood stof. Maar na zo’n honderd km werd de omgeving weer wat mooier; meer heuvels, bochten, bossen en tenslotte weer bergen. We zetten ons tentje op in Rémiremont, 100 km ten noorden van Bésançon. Hier bleek het toch wel vervelend te zijn dat er geen elektrische installatie zat op de Matchless (dat komt vaker voor, geloof ik), want om tien uur sloot de kantine haar deuren en de dichtstbijzijnde plaats was vijf km verder. Er zat niets anders op dan te gaan slapen. Het voordeel was dat we voor de verandering eens vroeg wakker waren.

Het rijden werd steeds leuker, naarmate de streek bergachtiger werd. Zo langzamerhand zaten we in de Jura, zodat we van tijd tot tijd behoorlijk steile hellingen tegenkwamen. Wat loopt een ééncylinder dan goed! Zonder terugschakelen knalden we de bergen op, het hoge koppel van
de motor is bij elk toerental aanwezig. Helaas begon de primaire kast wat meer te lekken dan eigenlijk de bedoeling was; zeker drie keer per dag moest er nagevuld worden.

Camping Moto

Volgens het stukje in ‘Motor’ lag de ‘Camping Moto’ in het plaatsje Bonlieu. Het was een erg klein dorp dat niet op de kaart staat, zodat we bij een benzinestation de weg moesten vragen. Het bleek te liggen tussen Lons-le-Saunier en Morez, ongeveer ter hoogte van het Meer van Genève. Vlak na het dorpje zagen we een groot bord ‘Camping Moto’, rechtsaf. We kwamen terecht op een steenpad, dat zich twee à drie kilometer voortslingerde door bossen, heuvels en dalen.

Net toen we dachten dat er aan het eind van het pad een handelaar in blanke slavinnen klaar zou staan doemde er een grote boerderij op. Op een veld ernaast stonden zo’n zes of zeven motoren en een paar tenten. We werden begroet met een vriendelijk ‘goeienavond!’ Veel buitenlanders waren er inderdaad niet, één Duitser en verder alleen Nederlanders. De eigenaar was ook een landgenoot.

In de boerderij was een grote open haard waaromheen iedereen zich ’s avonds verzamelde om goedkope wijn te drinken en motorverhalen te vertellen. Het was er best wel gezellig, ik denk dat dat ook wel aan de tijd van het jaar lag. In het hoogseizoen zal het er wel veel drukker zijn.
We zijn er nog een dag gebleven maar toen kregen we weer de kriebels en zijn we vertrokken naar het zuiden, om eens wat zon te zien. Daar waren we tot nu toe nog niet erg mee gezegend geweest.

De eerste pech

We reden in westelijke richting, de Jura in en richting Zwitserland. Het leek ons wel leuk het meer van Genève eens te zien. Daar kwamen we dan ook snel terecht. Het was inderdaad een erg fraai meer, omzoomd met filmster-achtige villa’s en boulevards vol Jaguars en dergelijke.
Vooral het eerste gezicht op het meer was magnifiek: vanuit het hoogland komend lijkt het net alsof je op een muur staat van honderden meters hoogte. Een half uur lang doe je niets anders dan remmend op de motor omlaag gaan, waarbij je af en toe vergast wordt op een panorama van het vaalblauwe meer met daar weer achter, heel in de verte, sneeuwbedekte toppen.

In Genève aten we een ijsje, we tankten benzine en gooiden olie in de primaire kast. Zuidwaarts. Voor we het wisten zaten we alweer in Frankrijk. Halverwege Grenoble hadden we de eerste pech: met een grote knal verliet de achterketting zijn normale baan, en daarop kreeg de motor daar ook neigingen toe. Het linkerkettingstelboutje was kromgebogen en daardoor was het wiel er scheef in komen te staan. We stonden boven op een berg, met niets in de buurt wat op bewoning duidde. Ik had geen middenbok, en dat maakte het wat moeilijk het achterwiel van de grond te krijgen. Maar met behulp van een paar Duitse motorrijders die toevallig voorbijkwamen kregen we de motor op een stelling van keien en een eind hout. Het kromme boutje werd vervangen door een kiezelsteentje, de ketting kon er zonder meer opgelegd worden en we konden weer verder. Wel met pikzwarte poten, maar in de vakantie mag dat niet deren!

Ketting eraf. Pikzwarte poten.

We reden voorbij Grenoble en konden vervolgens kiezen tussen twee routes: een westelijke en een oostelijke. De westelijke was met een dikke rode lijn op de kaart aangegeven en dus waarschijnlijk een hoofdweg; we namen dus de andere. Dat bleek een goede keus. Van Grenoble tot Gap kwamen we nauwelijks één auto tegen en misschien om de dertig km één dorpje. We passeerden de (beroemde, geloof ik) Col Bayard, op een hoogte van ca. 1200 meter.

Het hele gebied was erg woest en erg mooi, met wilde bergstroompjes en zo. Halverwege zagen we de vriendelijke Duitsers bij een camping staan, zwaaien dus, maar wel doorgereden, want de motor had er echt zin in. Bij Gap besloten we ons tentje maar eens op te zetten, want het werd aardig donker en wij aardig moe.

Col Bayard.

De volgende dag hadden we wél zin om oostwaarts te gaan, de Franse Alpen in, maar bij nader inzien wilden we de beruchte Rivièra wel eens zien. (zon, zwemmen, wijn en dergelijke). Na een hele dag rijden, met prachtig weer, kwamen we daar aan. Veel palmen, veel verkeer, weinig behoorlijke campings, maar uiteindelijk hadden we een mooi plekje gevonden. In ons achterhoofd hadden we het plan een weekje te gaan luieren maar helaas bleef het weer niet goed: veel bewolking, zelfs af en toe regen. Drie dagen zijn we gebleven; we hebben een paar dagtripjes gemaakt, naar Nice, Monte Carlo, St. Paul de Vence (waar een of andere beroemde schilder woont). Zelfs heb ik me nog even in zee gewaagd, maar het leek de Noordzee wel, zo koud. Inge zag het al zo weinig zitten, dat ze maar droog bleef.

Vervolgens gingen we pal noordwaarts, de Zuidelijke Alpen in, over een secundaire weg, lekker smal, veel bochten, nog méér hellingen. Op het laatst steeg de weg in tien haarspeldbochten tientallen meters. Het is vreselijk leuk met de motor op zulke wegen, met behulp van het hoge koppel kan je met flink gas prachtig tegen de berg op daveren. Op het hoogste punt van de weg ontmoetten we een tunnel, heel smal en laag en van binnen onverlicht. Wel vervelend als je geen licht hebt (Meneer Lucas krijgt nog wel eens een bombrief van me!)

We hebben gewacht tot er een auto aankwam en daarachter zijn we door de tunnel gereden. Het leek wel een spokenbaan op de kermis: pikdonker, een enorme herrie van de ‘sportieve’ uitlaat van ons motortje, druppels die in je nek vielen en kinderkopjes als wegdek.

Afdalen naar de Po

Na zes kilometer kwamen we aan de andere kant van de tunnel: in Italië. Dat betekende meteen een lange afdaling naar de Po-vlakte. Wederom veel haarspeldbochten, maar naar beneden dit keer. Niet zo plezierig als stijgen, vond ik. Voortdurend remmen op de motor in één en twee, en alsof dat niet genoeg was moesten we af en toe ook behoorlijk in de ankers gaan hangen, wilden we onze reis niet beëindigen in een afgrondje. Na een paar noodstops ga je
je wel ergeren aan de remmen, die misschien in ons platte landje wel voldoende zijn, maar in de bergen toch erg snel fading gaan vertonen. Een fraaie four-leading-shoe in het voorwiel zou nooit weg zijn. Dat brengt me trouwens op een aloud twistpunt: hou je een motor origineel, dus met slechte remmen, of is dat minder belangrijk en offer je originaliteit op aan meer veiligheid en/of comfort?

Bij Camping Moto.

We reden een uur of wat en langzaamaan verdwenen de bergen; we kwamen op een uitgestrekte vlakte, die wel een beetje aan Nederland deed denken. Alleen als we omkeken naar de steeds verder terugwijkende bergenmuur herinnerden we ons dat we net uit de Alpen waren gekomen. De plaatsjes werden ook steeds vuiler en industriëler en toen we onze tent opsloegen in Cuneo leek het wel of we op een industrieterrein stonden. De stad zelf was een verschrikkelijk saaie garnizoensstad, met alleen maar rechte straten en huizen.

De volgende morgen taaiden we dan ook zo snel mogelijk af. Via Turijn reden we over de autostrada recht naar het noorden. Dit is een rit die ik iedereen kan aanbevelen: langzamerhand wordt het terrein heuvelachtig, vervolgens bergachtig en voor we het wisten zaten we weer in de woeste natuur, waardoorheen zich de snelweg in prachtige wijde bochten slingerde. Deze weg is een kunstwerk op zichzelf, er moet voor miljarden guldens aan viaducten, tunnels en andere kunstwerken zijn gespendeerd.

Kletsnat in Zwitserland

’s Avonds om zes uur stonden we in Aosta. Het was net begonnen te gieten en we waren kletsnat. We stonden voor de keus door te rijden over de Grote St. Bernardpas of stoppen. We besloten maar door te rijden, nat waren we toch al. Nu steeg de weg nog veel steiler. Omdat het zo nat was gingen we maar niet over de pas (2300 m) en namen we de tunnel, ook weer zo’n technisch wondertje. En 1900 meter is hoog genoeg, toch? Toen we aan de Zwitserse kant tevoorschijn kwamen regende het nog steeds, onze neus zat in de laaghangende wolken en
aan de kleppende koebellen wisten we dat we in Zwitserland waren.

Het eerste hotel dat we tegenkwamen gingen we binnen. Zeiknat als we waren hadden we niet veel zin in een tent te overnachten. Dat hadden we achteraf beter wel kunnen doen, want we zijn op echt Zwitserse wijze goed afgezet. Het was wel leuk dat het vol zat met Nederlandse vrachtrijders. Zij boden ons nog aan bij hen in de auto te komen en de motor in de laadbak vast te binden. Maar als fanatieke Matchless-rijders deden we dat natuurlijk niet. Als je op
de motor op vakantie gaat, moet je er ook mee thuiskomen. Alles bijeen waren we blij dat we de dag daarop de ongastvrije hotelbaas achter ons konden laten.

Historisch plekje bovenop een col. Hier kregen we even panne, ongeveer 80 kilometer vóór Gap.

Zwitserland is een erg mooi land, met goede wegen en leuke steden. We hadden er dus best wat langer kunnen blijven; de bodem van de vakantiepot kwam evenwel in zicht en ondergetekende rook de stal al weer. Daarom reden we in rustig tempo heel Zwitserland door, vergezeld door toeterende vrachtauto’s met daarin de chauffeurs die we die morgen hadden ontmoet. Die mensen rijden trouwens als gekken!

Geweldige knal

Voor we het wisten zaten we in Duitsland op de autobahn. Eén goede raad: rij nooit via deze wegen als je geen motor hebt die minstens tweehonderd loopt, want dat lijkt daar wel de gemiddelde kruissnelheid. Bovendien is zo’n 1000 km rechtdoor rijden wel een beetje saai. Maar allee, het schiet lekker op. Om een uur of acht ’s avonds waren we al in de buurt van Koblenz. We wilden net een camping gaan zoeken toen de motor een geweldige knal gaf, gevolgd door angstaanjagend geratel.

0 jee, dachten we, dat was dan het big-end, maar gelukkig was het minder erg. Wat was het geval ? De moer op het primaire tandwiel had zichzelf losgedraaid en was met veel geraas tussen ketting en koppelingstandwiel gekomen. Gelukkig zat de versnellingsbak niet zo vast, zodat deze de klap op kon vangen door een eindje naar voren te schuiven. Maar intussen was de moer een verwrongen hoopje ijzer geworden, en zonder moer kan je moeilijk verder rijden. Het was bovendien al behoorlijk donker aan het worden en verlichting had de motor ook niet.

Gelukkig kwam na een half uurtje een Suzuki aangejankt. De berijder was zo vriendelijk ons een eindje op te slepen. Dat viel overigens voor allebei niet mee; denk je maar eens in: met één hand aan de schouder van trekker en de andere aan het stuur moet je een motor met volle bepakking en passagier in de hand houden. Gelukkig lag op vijf kilometer afstand een dorpje met een camping. Daar werden we afgezet. Na een nachtje goed uitrusten zouden we wel een oplossing vinden.

Britse onderdelen niet op voorraad

Aan de plaatselijke motorzaak bleken we evenwel niet veel te hebben : dat ze “auch zo’n ding gehabt hadden” konden ze wel vertellen maar primaire kettingwielmoeren waren niet voorradig. Een andere oplossing moest dus gevonden worden. Ineens kwam ik op een lumineus idee : als er nou ergens aan de motorfiets een zelfde moer zat, die eventueel gemist kon worden, dan was het toch opgelost ? En ja hoor, zo was het ook (nou ja, wat is onmisbaar ?)

De moer die het achterframe aan de bovenbuis verbond was precies hetzelfde! Redenerend dat het gewicht van de motor zou voorkomen dat de bout eruit zou trillen draaiden we de moer op het kettingwiel. Goed centeren tegen het lostrillen, kettingkast weer monteren en op weg.

Helaas had het grapje wel het gevolg dat de primaire kast nu helemaal een zeef was geworden, dus de ketting kreeg een zwaar leven. Dat betekende elke 50 km olie bijvullen en rustig rijden om de ketting te sparen. We hadden nog 600 km voor de boeg en dat ging aardig langzaam met een gangetje van 75 à 80. Maar na een hele dag rijden, onderbroken door heel vaak olie navullen (1 gulden de liter op de autobanen, de afzetters!) kwamen we tot onze grote verbazing ’s avonds onze vertrouwde straat inrijden, terwijl de poes al voor het raam stond om ons te verwelkomen. De primaire ketting stond toen wel aardig te roken.

We waren blij dat we lekker thuis waren, en weer vier pitten om op te koken, en zelfs stoelen om op te zitten. Maar ja, na een paar dagen heb je genoeg rust gehad en zou je eigenlijk wel opnieuw op weg willen gaan. Bij het openmaken van de kettingkast vielen er allemaal stukjes metaal uit, die bij nadere beschouwing de rollen van de ketting bleken te zijn. De laatste
kilometers moet hij alleen maar op de pennen gelopen hebben, wat ook wel de rare geluiden verklaart die er vanuit de machinekamer opstegen. Alles bij elkaar heeft de motor, het fantastisch gedaan; olieverbruik (ketting niet meegerekend) nog geen halve liter over 3800 km, geen ernstige motorpech en heel veel rijplezier.

Een goede raad: zorg dat je primaire kettingkast niet lekt en dat er niets los kan trillen. Voor de rest is een in goede staat verkerende AJS of Matchless zonder meer geschikt voor lange afstanden. Verlichting zou ook wel fijn zijn, want dat gedoe met die tunnels is een beetje vervelend.

Eén ding is zeker: volgend jaar weer een motorvakantie!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *