Franse toestanden met Nederlandse Ducati’s

De Ducaticlub Nederland organiseerde voor de tweede keer de Superbiketour. Als kersvers clublid schreef ik me in, samen met mijn broer. We werden onderdeel van een groepje mannen onder elkaar, zoals ik die in een vorig leven als schipper van passagierszeilschepen regelmatig aan boord ontving. Hier enkele indrukken op een rij. Sommigen zeggen dat ik in mijn verhalen soms te wijdlopig wordt, maar u mag stukken overslaan.

Mark en Gijs met de Ducati’s voor het Routierscafé in Pontigny. Alle foto’s Marnix van Hesteren.

Twee broers onderweg

Het was niet zo, dat gezin, werk en afstand ons uit elkaar hadden doen groeien. Wel was het heel lang geleden dat mijn broer Marnix en ik samen iets ondernomen hadden, misschien wel 25 jaar. Afgelopen voorjaar hadden we samen besloten daar verandering in te brengen. De reclame voor de Superbiketour in de Strada was een goede aanleiding. Marnix had een Yamaha SRX-600 ééncilinder caféracer. Die was intussen al 20 jaar oud en ook qua concept niet zo heel geschikt voor lange reizen. Hij ging bekijken of hij een Ducati kon huren. Huur is duur, ontdekte hij al snel. Hij liep bij Motortoer tegen een Ducati Monster 800 i.e. uit 2006 aan, daarmee moest het lukken. Marnix zelf, kort na terugkomst in Nederland: “Zeker voor herhaling vatbaar. Ik heb de hele dag al heimwee, snik.” 

Reizen

Het reizen is belangrijk, niet het doel. De tweedaagse tocht naar Magny-Cours was af en toe wel wat nat, maar echte bikkels rijden met hun Ducati, ongeacht het weer. Twintig jaar stond ik dag in, dag uit op het achterdek van tjalken en klippers, in weer en wind. Wat zijn een paar druppels, als het haardvuur op je wacht, aan het einde van de tocht? Nou ja, haardvuur, de open haard wél, het vuur niet.
Aan het eind van de dag had ik het niet koud, maar bepaald wél vochtige voeten en handen; mijn motorspulletjes zijn dan ook niet zo nieuw meer en kennelijk minder goed berekend op wolkbreuken. Marnix had het beter, met zijn net bij Motozoom in Amsterdam aangeschafte regenpak, laarzen en handschoenen. Allemaal instapproducten van Probiker, maar perfect waterdicht en dus heel veel waar voor het geld.

Van Amsterdam, waar ik vanuit Harlingen m’n broer oppikte, ging het via een met files verstopte A2 en A27 langs Breda naar Antwerpen. Dankzij kruipdoor, sluipdoor verliep dat voorspoedig. Bij Sint Job in ’t Goor ging voor de eerste keer mijn brandstoflampje aan. Even snel tanken in de voorstad Merksem ontaardde al snel in doelloze rondjes door troosteloze industriedistricten. Uiteindelijk vonden we op een straathoek een klein benzinepompje met twee aardige Vlaamse jongedames, die ons ook konden uitleggen hoe we weer op de ringweg moesten komen.

Van Antwerpen om Brussel heen en Wallonië in, langs Philippeville de Franse grens over, om te stoppen in Charleville-Mézières voor de overnachting. Dát is iets dat ze goed doen in Frankrijk: de hotelketen Première Classe, goedkoop en netjes. Het eten in het naastgelegen Hotel Campanile was ook voordelig en lekker. Tevredenheid met de eerste dag.

Onderweg naar Magny-Cours overnachten we in Hotel Première Classe, Charleville-Mézieres.

In Wallonië leek het met de economie niet zo goed te gaan, gezien de slechte staat van de wegen, de verveloosheid van de woningen en bedrijven en de algehele rommeligheid. Iets verderop, in de Franse Champagne zag het er heel wat welvarender uit, zij het dat het landschap veel en veel leger was. Wat een ruimte ineens, daar in Noordoost-Frankrijk. Dat werd sterker naarmate we zuidelijker kwamen. Tussen de provinciestadjes die we aandeden zit elke keer al gauw een kilometer of honderd. Daartussen alleen weidse ruimtes. Stel je voor, dat Hoorn en Purmerend geen 25, maar 100 kilometer uit elkaar lagen!

Routes Nationales zonder einde. Foto: www.forum-auto.com

Al afzakkend van Charleville naar Chalons, Troyes en Auxerre, op weg naar Nevers, bereikten we de Morvan. Dat schijnt één van de allerarmste en leegste regio’s van Frankrijk te zijn en we denken dat dat klopt. De Morvan was prachtig in zijn herfstkleuren en met zijn golvende landschap, waar je de weg als een kaarsrecht lint over de volgende heuvelrug in de verte zag verdwijnen. Maar het was ook dichtgeplakt met kranten, halve dorpen staan er leeg, overal verveloze of dichtgetimmerde huizen en bedrijven. Sporadisch een Renault 4, een Belgische trucker, of een Nederlandse camper. Dat was het wel. Het stond borg voor lekker kilometervreten met de motoren.

De motoren

Marnix had lol van zijn Monster 800, geloof ik. Alleen op de terugweg, op de Belgische snelweg tussen Luik en Antwerpen, deed ik als voorrijder drie kwartier lang 150 per uur; toen moest die 800 wel een beetje werken, vond Marnix. Kom kom, dat viel best mee.
Marnix hield het benzineverbruik bij: “Enkeltje Amsterdam – Nevers was 781 km. Aantal liters 90. Gemiddeld verbruik was 1 op 18,8. En dat heeft dan 127 euro gekost”.

Hij had gemakkelijk praten. Die Monster 1000 i.e.s. van mij reed 1 op 15. Zeker ruim afgesteld. Na 150 kilometer brandde het reservelampje alweer. Het benzinetanken was op het platteland soms lastig, vooral op maandag was er veel dicht. Vooral in België werken de betaalautomaten niet met Nederlandse bankpasjes. Sta je mooi voor joker.

Mijn Monster deed de 900 kilometer vanuit Friesland op z’n sloffen: bakken met motorkoppel, ten allen tijde sonoor brommende power beschikbaar, prima zit en af en toe fijn door een paar bochten. Die kennen we bijna niet meer in Nederland. Als ze er al zijn staat er een groot bord dat je niet harder dan 60 mag.

De heren op stap

Niet gepland, maar zo viel het wel uit: de tour was een echt mannenuitje. Melden vrouwen zich hier niet voor aan? Kennelijk niet. Maar velen riepen: “Welnee joh, zo onder elkaar is het toch veel leuker!”

De sfeer deed me denken aan de oude tijd op het water, toen kegelclubs, voetballers en biljarters hun zeilweekendje op de Waddenzee gebruikten om even weg van alles te zijn. Bij het aan boord komen dachten mijn vrouw Inge en ik dan wel eens: “Moet dat nou?”. Meestal viel het achteraf dik mee. Ook hier was het in orde: uiteindelijk zijn Ducaticlubleden beschaafde heren. Af en toe een beetje uitgelaten, dat wel.

Zo’n groep kent vaak dezelfde types: de grappenmaker, de zwijgzame, de moppentapper, de verhalenverteller, de bedachtzame, de joker, de eeuwig kwekkende, de mopperkont, de optimist, de verantwoordelijke en de rustige. Met elkaar wordt dat een prettig mengsel.
Marnix en ik hebben ons tranen gelachen tijdens de maaltijden en borrels vooraf en daarna. Gelukkig beschikte het hotel dit jaar over een bar met tap, al was die snel leeg.

Hotel

Aan tafel met de Ducatisten.

Jan Bouman had voor 28 man kamers afgehuurd in hotel Les Folies in Nevers. Zelf was hij er niet bij, panne aan zijn motor op de dag van vertrek hield hem thuis. Ach Jan, we hebben ons toch kunnen redden. Het eten was altijd smakelijk en voldoende, veel rode wijn was erbij inbegrepen. De kok kwam na het eten altijd even vragen of het naar wens was geweest – hij leek op Louis de Funès, als u zich die Franse komiekeling nog kunt herinneren.

In de bar van Hotel les Folies.

Les Folies beschikte zelfs over een internetcomputer in de lobby. Niet dat je daarmee echt het web op kon. Op en of andere manier werd er geen internetverbinding opgebouwd. Dat komt meer voor, ook in Nederland, maar de Fransen hebben er een heel eigen, typisch Franse oplossing voor: “Probeert u het morgen nog een keer, misschien doet hij het dan weer!” Wat een vertrouwen in de zelfreparerende eigenschappen van de techniek. Dat zou voor Ducatisten ook goed van pas komen. Vooral voor diegenen die Magny-Cours niet bereikten door pech.

Auto of motor

Anderen waren per auto gekomen. Door de niet zo gunstige weerberichten hadden zij de motoren thuis gelaten. Ze werden er erg mee gepest: “De watjes zaten in de auto!”
Ach, het weer viel best mee en zeker tijdens de twee dagen van het raceweekend was het prachtig. Toch hadden ze niet helemaal ongelijk, want de terugreis was niet helemaal regenvrij. Of helemaal niet. We kwamen een viertal van de vierwielducatisten weer tegen in een vaag dorp in de Franse Ardennen. Ze stapten er net uit om een stukje te eten, toen wij drieën kwamen langs gebromd. Met ons alles goed? Ja hoor, met jullie?
Gelukkig droegen juist deze heren veel bij aan de sfeer van welbevinden tijdens het weekend in het hotel, dus no hard feelings.

Het circuit en de races

We kwamen eigenlijk voor de races. “Heb je ook meegedaan?”, vroegen mijn collega’s, die er geen verstand van hebben, op het werk na terugkomst. Nou nee, ik heb het wel gevraagd natuurlijk, maar ze wilden geen ouwe MuZ supermono tussen de superbikes. We hebben ons dus vermaakt met kijken.
Het circuit van Magny-Cours is bedoeld als een soort economische opsteker voor een plattelandsregio met problemen. Kosten nog moeite is gespaard, wat een prachtige renbaan is daar gebouwd, temidden van de eeuwig zingende bossen. Het is allemaal nog mooier dan in Assen, piekfijn in orde is alles.

“Kijk, daar rijdt Troy Bayliss net voorbij op zijn scootertje!”

De Nederlandse Ducatisten mochten met hun VIP-tickets overal bij en in: in de Paddock, in de straat achter de pits, in het tentenkamp met hospitality-units voor de coureurs. De pitwalk konden ze vergeten: al stond op het ticket dat ze ervoor in aanmerking kwamen, de controleurs bij de ingang dachten daar anders over. Om daar achter te komen moesten we ons naar voren dringen en daarna weer weg uit de meute. Boze blikken van de omstanders: hordes mensen voor wie het onduidelijk was wie er wel en wie er niet in mocht. Franse toestanden.

Al het goede komt van boven, denkt Troy Bayliss. Zijn handtekening kregen we niet te pakken, maar deze foto nemen ze ons niet meer af.

Wat nog meer? Mooie schone betonnen taluds in plaats van de modderige grashellingen die we van de Asser TT gewend zijn, spannende wedstrijden, een aanvaardbare hoeveelheid publiek, minder dan bij Dutch World Superbike, een podiumklassering voor de Nederlandse Barry Veneman. Een wereldtitel voor het Nederlandse team van Ten Kate.

Was er dan niets op aan te merken? Marnix vond van wel: “Het eten op circuit was wel erg onfrans, of waren die slappe frieten juist tekenend voor de hedendaagse standaard ? Nou, hoteleten was wel OK en de kok geïnteresseerd in zijn cliëntele. Ach, niet zeuren, vette hap hoort erbij en de volgende keer zelf eten meenemen.”

Marnix zette enkele filmpjes op YouTube.

Terugreis

Marnix zei me daarover: “Sommigen vonden het jammer dat we niet in één grote groep hebben gereisd, maar goed, Ducatisten zijn individualisten, en in groep rijden is ook maar link en lastig te organiseren.”
Dat werd beaamd door voorzitter Donald Huigen, die ons vertelde dat grotere groepen meer kans geven op ongelukken onderweg en dat de clubaansprakelijkheid daarvoor vervolgens moeilijk af te dekken was.

Daarom ondernamen we de reis naar huis met een driemanschap: Mark had zich voor de thuisetappe aangesloten bij de gebroeders Van Hesteren. Zo waren we even met Brabanders onder elkaar, als je Marnix en mij na dertig jaar emigratie naar boven de rivieren nog Brabanders mag noemen. Mark en Dick waren op de heenweg samen op gereden. In goede harmonie, maar Dick vond Mark traag in de bochten, al helemaal als het regende. “In de bochten ben je hem kwijt, in de regen kan je hem helemaal gaan zoeken!”, zei hij. Dat gevoel was voor Mark wederkerig: hij reed liever iets kalmer. Het viel voor ons wel mee. Marnix en ik houden best van een potje blazen, maar door schade en schande zijn we meestal van de afdeling verkeersregels. De wijsheid komt met de jaren.

De Fransen hebben tegenwoordig ook nogal veel verkeerscontroles, al zijn ze wel zo aardig om de flitsers een halve kilometer van tevoren netjes aan te kondigen met grote waarschuwingsborden. Ach, in de praktijk kom je binnendoor zelden of nooit boven een reisgemiddelde van pakweg 75 kilometer per uur, hoe hard je ook aan het gas hangt.

Voor mij was het voor het eerst dat ik twee keer zo’n afstand van 900 km aan één stuk reed in de herfst. De Belgische Ardennen waren kletsnat, als vanouds. Popperige valleien, Ardenner bergtoppen in wolken gehuld – daar regende het dan ook stevig. Na de Frans-Belgische grens weer door een uitgewoond Wallonië, waar natuurlijk nergens een benzinestation te vinden was. Slechte wegen, vanaf het moment dat je over de grens bent gegaan. Ze hebben nergens geld voor lijkt het. Het weer werd snel beter. We reden door naar de noordelijkste Franstalige stad Luik; daar was het nog steeds industrieel rommeltje.

Eenmaal daar aangekomen overlegden we: blijven we hier overnachten of niet? Voor Mark was het duidelijk: hij rook de stal en Waalwijk was niet zo ver meer. Leek het, want het kostte nog twee uur om er to komen.

Ach, het reed zo lekker, eenmaal in Waalwijk was Amsterdam niet ver en zo waren we ineens thuis om een uur of negen ’s avonds, na dertien uur in het zadel. In Amsterdam ben ik maar blijven slapen, al was eenmaal daar Harlingen ook weer niet zo ver weg.

Marnix had toch bedenkingen: “Achteraf denk ik ook wel dat we toch maar dat hotel in Luik hadden moeten nemen. Ik heb overal spierpijn, ook in mijn handen. In de nek had ik het aan het einde wel een beetje koud, maar gelukkig geen nekpijn. En misschien ook niet verstandig om zo lang door te knarren. Hoewel ik het knarren zelf geen bezwaar vond. Je moet gewoon even stoppen op zijn tijd. Met een maximale tankinhoud van 12 liter is dat geen probleem.”

Nee, voor hem niet.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.