Zonnige bekroning in Brussel én Chimay

Verslag Grand Prix des Frontières de Chimay 2013

“Dit kan alleen maar in België!” Een gedachte die regelmatig naar boven kwam tijdens een lang en warm kroningsweekend te Chimay. Bekend is dit plaatsje vooral door twee zeer verschillende dingen: het ambachtelijk gebrouwen trappistenbier en de ‘Grand Prix des Frontières’ voor klassieke motoren. Aan dit jubileumjaar – het was de twintigste keer – werd extra aandacht geschonken, onder andere door middel van een grote parade over de huidige én de oude, veel langere baan. Open voor iedereen en dus toerde op zondagmiddag – na een tamelijk verlate en in elk geval chaotische start – een zeer gemengd gezelschap over het supersnelle stratencircuit. Daaronder de iconische framebouwer Fritz Egli himself met een tiental HRD-Vincentvrienden, merkenclubs van Ducati tot Triumph tot Yamaha tot Moto Guzzi-, plaatselijke jongeren op brommers en niet te vergeten een stevige delegatie uit het rennerskwartier, bestaande uit racemotoren en pitbikes.

Start van de Sidecar Group 3, remmend voor de eerste bocht.

De ene helft van het illustere gezelschap gebruikte deze middagpauze als extra wedstrijdtraining, gehuld in eendelige leren overal en integraalhelm en met het gas vol open. De andere helft toerde rond in wandeltempo en had voldoende aan korte broek en T-shirt. Gezien de verschillen in snelheid en insteek vreesden we even voor het ergste, maar het mooie van dit land is dan weer dat het uiteindelijk allemaal gewoon goed gaat.
“Zo kan het alleen maar in België,” wel vaker dachten we het. Bijvoorbeeld naar aanleiding van de rijdersbespreking, waarvan geen mens wist waar en wanneer die plaats zou vinden, rijders noch organisatie. Of toen we achterin het circuit waarnamen hoe van post naar post wandelende toeschouwers zich in het zicht van het nader dreunende startveld halsoverkop van het circuit moesten spoeden, terwijl de baancommissarissen geen spier vertrokken.

Enfin, genoeg hoogmoedig Noord-Nederlands commentaar. Alsof onze noordelijke controledrang de mens gelukkiger maakt. Juist de situering van dit grote internationale evenement in zuidelijk België maakt het tot zo’n geweldige ervaring. Gesitueerd in de uitlopers van de Waalse Ardennen kenmerkt het stratencircuit zich door hoogteverschillen, maar vooral door vele bloedsnelle secties. Vooral het gedeelte met supersnelle slingers langs het befaamde café mag niemand missen: daar komen de rijders op één meter van de vangrail voorbij, met de knie aan de grond, met snelheden van soms meer dan tweehonderd kilometer per uur. En daar is goed te zien wie de grootste cojones heeft: wie houdt zijn gashendel vol open en wie kiest er toch maar voor een ‘beetje minder’? We weten het uit eigen ervaring: vanuit het zadel valt het altijd weer mee hoe hard het gaat, maar voor de toeschouwers zijn en blijven het helden, deze classicsrijders uit België, Nederland, Frankrijk, Zwitserland en vooral het Verenigd Koninkrijk.

Britten

Willy Hellebaut

We vroegen aan Willy Hellebaut, wedstrijdleider en grote gangmaker achter het evenement, hoe het zat met die Britten. “We hebben hier dit jaar in totaal vijfhonderd inschrijvers. Vorig jaar zelfs zeshonderd. We hebben het geluk dat we dit kunnen organiseren in de zomermaanden. Veel deelnemers en zeker de Engelsen knopen er een continentale vakantie aan vast. Bovendien, in hun eigen land is er nu niet veel gaande op het gebied van klassiek wegracen. Daarom steken er altijd heel veel het Kanaal over voor onze Grote Prijs. Eind volgende maand valt de Manx Grand Prix op het eiland Man. Dat merken ze altijd goed bij de historische wedstrijden in Gedinne: daar moeten ze het meestal met een honderdtal minder rijders doen.
“Ja, de mentaliteit van de Britse rijders is wel bijzonder. Zij zijn het gewend om voluit te racen op stratencircuits, of die nu gevaarlijk zijn of niet. Het kan ze niet snel genoeg gaan. Toen er stemmen opgingen om de snelste stukken van ons circuit te voorzien van chicanes, waren zij er het felste op tegen. Zo hard mogelijk rijden en de hoek om vliegen, dat is wat zij willen. Volgende week organiseren we op ditzelfde circuit wedstrijden  voor moderne motoren. Reken maar dat we die chicanes dan wél gebruiken!”

Dat het te Chimay soms goed fout kan gaan bewijzen de gebeurtenissen van vorig jaar, toen er een deelnemer om het leven kwam en onder andere de Nederlandse Classicsrijder Yrjo van der Meijden er zwaar gewond raakte. Dit jaar toonde aan dat het ook beter kon. Natuurlijk waren er valpartijen, maar geen ervan leidde tot ernstige gevolgen. Wél waren er veel uitvallers, met name door het zeer warme weer. Heel Noordwest-Europa was in de greep van een hittegolf. Daardoor kregen veel machines problemen met de remmen, smering, koeling en afstelling. ’s Zondags was het zelfs zó heet, dat veel toeschouwers het lieten afweten, ten gunste van verkoeling aan het water of op terrasjes in de stad.

Nederlanders

Piet Damen

We volgden enkele Nederlandse teams tijdens het driedaagse wedstrijdweekend. We spraken regelmatig even met Piet Damen, die deelnam met zijn Honda CB500 viercilinder, en met John Clarijs, die naast een gelijksoortige CB500 ook een CB350 inzette. Ze staan vlak bij elkaar in het rennerskwartier. Piet was op vrijdagmiddag al een tevreden man, nadat hij een nieuwe grote trommelrem had gescoord. “Tweehonderdzestig millimeter, de grootste die door Yamaha ooit gemaakt is! Remmen als deze werden destijds gebruikt voor de TZ’s. Wat heb ik nog meer gedaan aan de Honda? Wat niet! Alles. En alles zelf. Nokkenas, zuigers, krukas, drijfstangen, frame, wielen, vering.”
We vroegen hem wat hij vond van het circuit. “Heel mooi en snel, al moet je er goed rekening mee houden dat dit een gevaarlijke baan is. Maar als je eenmaal rijdt, let je op wat voor je ligt en niet meer zo op muren, vangrails en hekken!”

John Clarijs was het er direct mee eens. “Vooral het gedeelte door het bos langs het café. Het beste stuk van het circuit; daar zou ik de hele dag wel willen rijden. Met 200, 220 per uur door die bochtenserie. Rechts, links, rechts, het is zó’n mooi stuk!

Piet en John reden beiden in de 500cc Groep 2. Over het verloop van de races geen klachten bij Piet Damen. “Het ging hard. In beide  races een vierde plaats achter Gerard van den Brom, Raf Blanckaert en Bart Crauwels. Die Patons zijn in elk geval niet bij te houden. Replica’s van de achtkleppers van eind jaren zestig. Zo’n Paton kost al gauw tachtigduizend euro per stuk. Wie kan daar tegenop? In het snelle stuk naar beneden kwam ik aan 12.000 toeren, beetje veel. In de tweede race heb ik daarom een iets groter voortandwiel gemonteerd. Maar ja, toen trok hij langzamer natuurlijk.”

John Clarijs met de helm die hij cadeau had gekregen van David Hailwood, zoon van de befaamde Mike Hailwood.

Bij John Clarijs ging het wat minder in Chimay. “In de 350cc had ik niet genoeg remvermogen. Eén keer elfde en één keer dertiende. De 500cc-machine liep niet echt lekker. Een DNF en een tiende plaats. Geeft niet, het was mooi. Nieuwe kansen in augustus bij de TT van Gedinne!”

De Nederlandse Classicsrijder Gerard van den Brom werd tweemaal derde in de 500c groep 2. ‘Best of the rest’. Hij meldde zich te laat voor de prijsuitreiking en kreeg in de feesttent terloops en tamelijk roemloos nog even zijn eretrofee aangereikt. “We waren kansloos natuurlijk tegen die twee Patons. Ze hebben tien, twintig PK meer dan wij. Drie jaar terug heb ik hier nog een wedstrijd gewonnen. Toen had de Paton een slechte start. In de laatste ronde haalde hij me in, maar ik kon hem nog nét voor de finish terugpakken.”

Een van de vele andere Nederlandse inschrijvers was Leo Smidts met zijn eencilinder Ducati 350cc. “Balen, het gas bleef hangen in de opwarmronde van de tweede wedstrijd. Ik zat er een beetje aan te prutsen op de startgrid en toen sloeg hij af. Iedereen weg, zonder mij. Ik heb er nog een paar kunnen inhalen, maar de race was te kort om dichterbij het volgende groepje te kunnen komen. Pff, en het was ook enorm heet vandaag!”

International Historic Racing Organisation

Het was Jarno Jonker die opnieuw liet zien dat je met een BMW niet onder hoeft te doen voor de Seeley-specials. In de supersnelle en uiterst competitieve IHRO-serie behaalde hij onder goedkeurende aanmoedigingen van de Beck-familie langs de pitmuur een tweede en een derde plaats, op de voet gevolgd door Jan Frank Bakker met de ABSAF.

De van oorsprong Britse IHRO-raceserie is bedoeld voor motoren met die is techniek gebaseerd op die van de Grand-Prixmachines van eind jaren zestig, begin jaren zeventig. Meestal maken de teams gebruik van replica’s. Door toepassing van moderne materialen en technieken presteren de motoren veel beter dan in hun hoogtijdagen en ook de betrouwbaarheid is veel groter geworden.

Start van de 500cc Group 2 race. V.l.n.r.: Gerard van den Brom, Honda; Raf Blanckaert, Paton; Bart Crauwels, Paton; Marc Fagneray, Suzuki; Piet Damen, Honda

De grootmeester van de IHRO was in Chimay opnieuw de Brit Luke Notton. Niet alleen verbeterde hij het absolute rondenrecord, ook eindigde hij als eerste in de Post Classic. Omdat hij dat weekend toch niets beters te doen had, werd hij ook nog derde in de ene IHRO-manche waaraan hij deelnam en tweemaal derde in de 750cc. Een heroïsche wedstrijd die laatstgenoemde. Met zijn 500cc-Seeley nam Notton het op tegen de veel zwaardere 750cc-superbikes van de jaren zeventig. In de tweede race startte hij als laatste. “Hij heeft brandstofproblemen. De benzine staat te koken in zijn carburateur,” legde Willy Hellebaut uit aan de startlijn. “Zodra de vlotterkamer is leeggetrokken en de verse benzine begint te stromen moet je eens opletten!” Hellebaut had gelijk. Ronde na ronde reed de gedreven Engelsman zijn inhaalrace en met gemak nam hij uiteindelijk de derde podiumplaats in beslag.

Belgen

Dirk de Winter

Eenkennig waren we niet. We volgden ook enkele Belgische deelnemers. Zoals Dirk de Winter, die dit seizoen voor het eerst meedoet aan wedstrijden in de 750-klasse met een Yamaha XS650. Dat vinden we leuk, want wij rijden in Nederland met eenzelfde machine SAM-racedemo’s. Het zat Dirk echter niet mee. Al tijdens de trainingen merkte hij dat de motor niet goed liep. “De cilinderkoppakking stuk en alles onder de olie. Ondanks dat 16e van 24 in deze vrije training.” Dirk wilde het zeker weten. Dat werd nachtwerk. “Na een nacht sleutelen heb ik alles weer in elkaar gezet. Maar toen zat er weer een tik in het blok. Ik ben nog naar de start van de tweede race gereden, maar ik vertrouwde het niet. Nu blijkt de nokkenas gebroken te zijn. Baalweekend, maar óp naar Gedinne!”

Goed besluit van Dirk, om te stoppen. Slaaptekort en een onwillige machine zijn geen goede reisgenoten. Circuitfotografe Inge van Hesteren zei daarover: “Soms laat een motor op allerlei manieren zien dat hij niet wil. Misschien weet hij iets dat jij niet weet. Soms moet het zo zijn en dan moet je je erbij neerleggen!”

Dan Bart Crauwels. In 2006 liep hij ernstig beenletsel op bij Union Mills, op het eiland Man. Zijn racecarrière leek afgelopen. Een zegsman: “De Britse dokters wilden zijn been afzetten, maar na protest van zijn vrouw werd hij met een heli overgebracht naar Leuven. Daar heeft men hem opgelapt. Hij is weer gaan rijden en je herkent hem aan zijn ingekorte laars. Hij rijdt zonder tenen!”
Nu was hij terug, en hoe. Geholpen door de razendsnelle 500cc Paton haalde Crauwels een zesde en een tweede plaats in de 750cc, twee zeges in de 500cc groep 2. Tussen twee races in zat hij uit te blazen in de paddock. We spraken hem even aan.
“Het ging goed, ja. Ik had al een jaar of vier niet meer gereden. Waarom niet? Zorgen, grote zorgen, op allerlei gebieden. Maar nu ben ik er weer en het gevoel komt snel terug. Vandaag was ik alweer een seconde sneller dan gisteren.”
Met of zonder tenen, hem maakt het niets uit.

Officials

Evenementen als deze zijn niets zonder vrijwilligers. Sterker nog, álle medewerkers doen het vrijwillig – op één na dan, volgens hun kopman, Willy Hellebaut: “Betaald wordt er maar één en dat ben ik. Nou ja, honderd euro per week.” Een brede grijns. “Geld voor beloningen is er gewoon niet. Een onkostenvergoeding is het maximale. Vergis je niet, de begroting voor een evenement als dit loopt in de tonnen!”

Baco’s van Bocht 1.

Ze werkten allemaal graag mee, daar niet van. De baancommissarissen (de ‘baco’s’) van bocht 1 trekken al sinds de jaren tachtig met elkaar op. Intussen zijn het zowat allemaal vijftigplussers. Ze vlaggen bij de klassiekers op Chimay en Gedinne, maar ook bij de MotoGP en de Superbikes op het Asser TT-circuit. Ook in het rennerskwartier van Chimay hebben ze een gezamenlijk tentendorp, waar ze ons ook ditmaal trakteerden op biertjes en sterke verhalen. “In ons team kom je niet zomaar,” vertelde baco Herman Covemaeker. “Je moet eerst een jaartje met ons meelopen. Zo leren we je de fijne kneepjes. En het moet ook klikken, hé?”

Ze weten echt wel wat ze doen, deze mannen en vrouwen. In hun bocht raakt er nogal eens een rijder naast het asfalt. Dan treedt de goed geöliede machine in werking: Marc de Cleermaecker gaat hem overeind helpen, terwijl Herman met brede armgebaren de aanstormende rijders naar de andere kant van de baan verwijst. Een derde zwaait met de gele vlag en Christine Demeulenaere meldt via de portofoon aan de raceleiding wat er gaande is.

Vlaggenzwaaier Marc is nooit te beroerd om een gevaarlijk klusje op te knappen, zoals hij dit weekend meermalen bewees. Maar hij is ook de man met de mooiste verhalen. “Zo was er die keer in Saint Hubert met dat zweefvliegtuig dat een noodlanding moest maken. Midden tussen de zijspannen die daar aan het racen waren. Het ging allemaal net goed. Belt één van de jongere baco’s: Nonkel Marc, d’r is hier een vliegtuig geland. Welke vlag moet ik nu tonen?”
Eén verhaal was Marc niet genoeg. “Of die keer dat we iets zagen bewegen in het struikgewas. Het was een familie everzwijnen, helemaal in paniek door het motorgeraas! Race stopgezet.”

Noël van den Berghe start de races met de krioningsvlag.

Bij zoveel ongein gingen we maar eens elders op het circuit rondkijken. Aan de start en finish vonden we de vlaggenist, Noël van den Berghe. De racezondag was om méér redenen een bijzondere dag: in Brussel werd de nieuwe Belgische koning Filip gekroond. Van den Berghe gaf het nationale feest extra cachet door een kroningsvlag als startsignaal te gebruiken. “Niet dat ik zo blij ben met die nieuwe,” moppert hij. “Hij is lang niet zo volks, zo toegankelijk als de vorige koning. Maar ja, we zullen het ermee moeten doen…”

En alles er om heen

Een official van Nederlandse afkomst was Dorine van der Aa, dochter van de illustere zijspancoureur Noud van der Aa. Dorine zwaaide de rode en de zwart-witgeblokte vlaggen bij start en finish, met veel inzet. En Noud reed op zijn achtenzestigste nog steeds zijn zijspan met König-aandrijving in de GP-klasse. “Altijd hetzelfde gedonder,” mopperde hij na de eerste race. “Altijd zit ik in de verkeerde klasse en dat zal nooit veranderen. En al dat lange wachten voor de start en na het finishen. Die motoren hebben het warm met dit weer, ze klappen zowat uit elkaar van de hitte!”
Niet dat Noud veel te klagen had. Bakkenist Philippe Godin en hij gingen mooi naar huis met een paar eretrofeeën. “Het was een warme wedstrijd, maar och, het ging. De raceoveral half open. Volgend jaar kom ik met een nieuw span. Ja, met König natuurlijk. Ik heb wel twintig van die blokken staan. Soms krijg ik ze gewoon cadeau, maar ik koop altijd alles op wat ik tegenkom. Laatst nog een in Schotland en pas nog vier in Frankrijk.”

Hans Buskermolen kwamen we een paar maal tegen. Vroeger reed hij in de ONK Classics, sindsdien is hij al lange tijd niet meer op een circuit geweest. “Ik heb de afgelopen jaren HMV-demo’s gereden, maar dít is zeker weer even wennen, op zo’n echt wedstrijdcircuit. En dan met die warmte…” Het wennen zal zeker gelukt zijn, want Hans deed het prima, met zijn twee BSA Goldstars in Norton Featherbedframes.

Hans Buskermolen met de Featherbed BSA Goldstar.

Buiten al het moois dat er al te zien en te horen was, nóg een bijzondere attractie: een van de zeldzame RC174 replica’s van de 297cc Honda zescilinder, tot in de kleinste details nagebouwd van de enige bewaard gebleven fabrieksmachine. De RC174 was een van de beroemdste Grand-Prixmachines ooit. De eigenaar, de Brit Peter Fox, maakte er een paar ereronden mee. Door merg en been, het hele circuit rond, hoorde je het gehuil van deze bijzondere motor, de eerste ronde met een cilinder of vier, vijf aan het werk, maar uiteindelijk toch met alle zes.

Peter Fox

Peter is er zelf razend enthousiast over. “Mijn replica is nummer zeven van de zeven die er momenteel van bestaan. Er wordt nu gewerkt aan een achtste RC174. Die is voor George Beale, die het brein is achter dit zeer bijzondere project. Technisch gezien is de machine een ‘replica’, maar het is toch heel bijzonder, omdat het idee om hem te bouwen van Honda zelf komt. Nummer één is nog steeds in bezit van de fabriek. Huidige en vroegere coureurs van Honda-wedstrijdmachines rijden er af en toe een ereronde mee. Het origineel waar de replica’s van zijn gekopieerd staat nu in een Japans museum.
Ik wist dat de Egli-Vincentrally dit jaar samenviel met de Klassieke Grote Prijs van Chimay. Dat komt omdat Patrick Godet uit Rouen, die nog steeds Egli-Vincents bouwt, hier zijn nieuwe project wilde presenteren: een 500cc Vincent Comet racer. Deze rally’s bezoek ik altijd en nu deze op het circuit van Chimay zou plaatsvinden wilde ik heel graag een paar ronden rijden met de Honda. Dat is gelukt: de eerste keer dat ik met deze fiets heb gereden!”

Tot slot

Drie hete dagen waren het. Zowel wat betreft het weer als wat betreft de races. Cadeau kreeg je hier niets. Écht wegracen met de ouderwetse machines, niet alleen maar paraderen. Schitterende wedstrijden, in alle klassen en ook in de internationale Camathiascup voor historische zijspannen. Zo was het in de roemrijke jaren van het Continental Circus. Niet gemakkelijk voor motor en mens. Maar toch, een gouden weekend.

Tekst en foto’s: Festina Lente, Gijs en Inge van Hesteren

Alle overige foto’: Webalbum Inge van Hesteren

Geef een reactie

Jouw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *