De sleepbootkapitein

(Foto: Gijs van Hesteren)

‘Schuttevaer’ spreekt met Tjalling van der Zee. Geboren uit Nederlandse ouders in Durban, Zuid-Afrika werkte Van der Zee enkele jaren als beroepsmilitair in het Nederlandse leger. Zo rond 1992 begon hij als ‘maat’ aan boord van de zeiltjalk ‘Courage’. Hij voer vervolgens tien jaar als charterschipper. Na ervaringen in de baggerbranche volgde hij een maritieme opleiding aan de Zeevaartschool op Terschelling. Nu vaart hij al jaren via zijn bedrijf Van der Zee Maritime Services als freelancer, meestal in de zeesleepvaart.

‘Eenzaam op zee tijdens de kerstdagen? Welnee. Ik ben atheïst en geen bankzitter bovendien. Twee dagen met de familie, pfff. Ik ben daar heel makkelijk in. Negen van de tien zeelieden zit dan thuis, dus voor mij valt er altijd wat te varen. De dagen van Oud en Nieuw, ja, dán ben ik graag thuis. Veel gezelliger. Niet dat me dat vaak lukt. Negen van de tien keer ben je onderweg, zeker als freelancer. Och, ik ben niet zo van de regelmaat.’

Zeebonk

Van der Zee is een imposante verschijning. Meterslang, breedgeschouderd, een verre blik in de ogen. ‘Een zeebonk’, dat is wat velen denken als ze hem voor het eerst ontmoeten. De beslistheid waarmee hij praat bevestigt die indruk. Onverwacht dan weer is de vriendelijkheid en de bedachtzaamheid die hij uitstraalt.

‘Het manoeuvreren met de schepen en de sleep vind ik leuk. Dat heb ik meegenomen uit de chartervaart. Ik zal er nooit op afgeven – ik heb een waanzinnig leuke tijd gehad. Maar ik wil dat niet meer, met al die mensen. Je hebt er veel geduld bij nodig. ‘Hij moet maar sleepbootkapitein worden’, schreef iemand in de enige klachtenbrief die ik in die periode ooit heb ontvangen. Dat heb ik dan maar gedaan.’

‘Nadat ik mijn vaarbevoegdheid had behaald heb ik een tijd in loondienst gewerkt. Maar ik ben iemand die van afwisseling houdt. De beginfase van een project, die vind ik mooi. Dan bloei ik op. Ik had al snel gemerkt dat ik uitdaging nodig heb. Het is allemaal wel leuk, altijd te varen met één en hetzelfde schip; dan kan je er na een tijdje alle kanten mee op. Maar ik heb liever de ene keer groot, dan weer klein, eerst hier en dan weer daar. Ik had al snel door dat er overal mensen gevraagd werden. Dat kan niet als je in loondienst werkt, dus ik heb ontslag genomen. Als zzp’er hoef ik aan acquisitie nauwelijks iets te doen. Deze wereld is zó klein. Er wordt vanzelf over je geouwehoerd.’

‘Mijn eerste delivery was een sleep van Vietnam naar Nigeria. De klant had er een training bij besteld. Mijn opdrachtgever vond dat ik die maar moest geven. Per slot van rekening had ik al een paar weken gevaren met het object. Als beroepsmilitair vond ik het al mooi om manschappen op te leiden. Dat ging me goed af. Zo heb ik het karakter van mijn werk uit kunnen breiden.’

Een eenzaam bestaan

Het kan een eenzaam bestaan zijn, zo als kapitein van schip naar schip. Zo ervaart Van der Zee het echter niet.

‘Ik kom op de gekste plekken, de hele wereld rond. Op het eiland Saint Pierre de Michelon hebben we bijna vier maanden vastgezeten. Er was een probleem met de overdracht van de schepen. Eigenlijk is het helemaal niet leuk daar. Je ploegt altijd door metershoge pakken sneeuw, het is er voortdurend koud en winderig. Een land zo lelijk dat het bijna mooi wordt. Ze zeggen wel, in elk stadje heeft de zeeman een schatje, maar met de mensen daar – weet je, iedereen kent elkaar daar en er wordt veel te veel gekletst.’

‘Soms vaar je overal naar toe, maar je ziet niets van je land van bestemming. Passagieren is er niet bij. Drie weken ten anker voor Rio de Janeiro en niet aan wal gekomen. Vier weken in Shanghai idem dito. Ik ging alleen even een ochtend van boord om de bakken te inspecteren. Eigenlijk kan dat al niet eens: de bemanningen zijn tegenwoordig zo klein, dat je tegen de eisen voor safe manning ingaat als er één crewlid ontbreekt. Het is niet als vroeger, toen je een tweede stuurman had, een derde, zelfs een vierde.’

‘Het is allemaal niet erg. Als ik op zee zit, zit ik gewoon op zee. De rust is heel fijn. Het is prettig om aan boord te zitten. Ook tijdens de kerstdagen. Heel veel zeelui zijn christelijk; die hechten er veel waarde aan. Ik houd daar rekening mee. Ik praat met de kok: kan hij wat extra’s doen? En met het kantoor: is er budget? Als iedereen wakker is houd ik een klein babbeltje. Ik ga niet voor in gebed – ik ben geen voorganger. Maar het zijn speciale dagen. Je moet het met elkaar doen aan boord. Je zit in een heel klein stukje wereld op heel groot water. Misschien is ‘bezinning’ de juiste benaming.’

Vuurpijlen

‘Met Oud en Nieuw steken we de overjarige vuurpijlen af. Twee jaar terug voeren we tussen Djakarta en Mauritius, in een volkomen verlaten stuk oceaan. Het dichtstbijzijnde schip bevond zich tweehonderd mijl verder. Een bemanning die bestond uit mij als nederlandse Zuidafrikaan, een Australisch-Nederlandse stuurman, twee Filippino’s en een groep Indonesiërs. Op een of andere manier had niemand de oude flares ooit opgeruimd. Zesentachtig lagen er in de kast. Wat een waanzinnig spektakel! De kok had zich helemaal uitgeleefd. De brug stond helemaal vol met hapjes en ik had hem uitgelegd hoe je oliebollen bakt.’

‘Als hij verstandig is, probeert een kapitein een goede verhouding met zijn bemanning op te bouwen. De groepsdynamiek hangt af van jouw houding. Mijn achtergrond bij defensie en in de chartervaart helpt daarbij. Je zit hooguit met twaalf man aan boord, de meeste reizen zelfs met hooguit vier, vijf man. Dat is aanpakken hoor. Als je een groot sleepobject achter je aan hebt moet ik ook met de handen uit de mouwen. Het mooie is: het is nooit hetzelfde. Het leukste vind ik een twaalfkoppige bemanning. Dan ben je echt aan het managen. Groter zou ik niet willen. Dan loop je zelf geen wacht meer en ben je vooral bezig met papierwerk. Dan kan ik me geen zeeman voelen. Gelukkig gaat mijn bevoegdheid tot drieduizend ton…’

Dit artikel is eerder verschenen in Schuttevaer- Wacht te kooi – november 2018.

 

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.