Voor onze verhalenwerkgroep ‘Le Raconteur’ schreven we over het thema ‘koffie’. Ik had net het boek ‘Au revoir’ gelezen, de verzamelde columns die wijlen Martin Bril schreef over het door hem zo geliefde Frankrijk. Ik heb geprobeerd een verhaal te schrijven in de geest van Martin. Aan de basis ervan lag mijn reisblog Een enorm bord eten – Marokko (6).

Namiddag. Het was niet koud meer, naar Nederlandse begrippen zelfs zomers. De weg was kaarsrecht, leek eindeloos. In de verte versmolt het asfalt trillend met de horizon. De bermen lagen hoog, scherp afgesneden van de stenige zandvlakte links en rechts. Het landschap kleurde geel en rood en bruin en oudroze. Onder de tank bromde de Royal Enfield gemoedelijk. Heerlijk, kilometer na kilometer. Ik moest weer plassen. Dat moeten mannen van 71 heel regelmatig, zelfs als ze tevreden op de motor zitten.
Bij een dammetje in de kurkdroge sloot stuurde ik de weg af. Ik parkeerde in de bescheiden schaduw van een sprieterig boompje. Al plassend keek ik dromerig in de verte. Ik dacht terug aan het verloop van de dag.
Rond een uur of tien was ik al in de Marokkaanse kloof Gorge Dadès aangekomen. Mijn lichaam had laten weten dat het koffietijd was. Ik was gestopt aan de overkant van de ‘Pattes des Singes’, de ‘Apenvingers’. Dat zijn eigenaardige rotsformaties die in de verte zouden moeten doen denken aan de vingerkootjes van een chimpansee. Okee, met een beetje fantasie kon dat best.
Koffietentjes zijn in Marokko dunner gezaaid dan in West-Europa, maar ik had geluk. Een vijftal Franse motorrijders had de motoren geparkeerd op hetzelfde rotsterras als ik. Een reisgezelschap met gids en volgauto. Natuurlijk waren we aan de praat geraakt. In het Frans uiteraard. Mijn Frans is gebrekkig, maar goed genoeg voor een eenvoudig gesprekje. En Fransen zelf? Die spreken geen woord buiten de deur, behalve Frans.
Veel handenschudden, zoals ze dat gewend zijn in Frankrijk en ook in Marokko. Chauffeur Hafid had net de koffie klaar voor zijn pupillen.
“Voulez vous un café aussi, monsieur?” vroeg hij mij (wilt u ook een koffie, meneer?).
“Bien sur, s’il vous plaît!” (zeker, heel graag!), antwoordde ik in prachtig Frans.

De mannen hadden hun groepsreis geboekt bij een Franse Marokko-specialist. Ze reden met 250cc Suzuki terreinmotoren en hadden veel belangstelling voor mijn Royal Enfield. “Veel charisma, niet zoveel vermogen”, vertelde ik ze, “maar voor deze bergwegen heb je geen pk’s nodig. En de motor is lekker licht van gewicht.”
François, de specialist, stak zijn duim op. Hij hield van Royal Enfields, zei hij. “Maar voor beginners zijn ze toch te zwaar. Daarom laat ik ze op deze lichte Suzuki’s rijden.”
De koffie smaakte heerlijk. Met opnieuw veel handengeschud, veel geroep en gezwaai namen we afscheid en ik reed verder. De Hoge Atlas in. Brrr, eenmaal aangekomen op 2400 meter boven zeeniveau was de temperatuur gezakt naar een graad of twee, drie. Daar was mijn zomerse motorkleding helemaal niet op ingericht.
Dit was niet leuk meer. Bovenop de hoogste bergpas stopte ik even voor een trui, mijn regenpak en een foto. Direct sprak een stokoude meneer in een djellaba me aan. “Bonjour monsieur, ça va?” (dag meneer, hoe gaat het met u?).
En hij gaf me een hand natuurlijk. Hij wilde me souvenirs verkopen, halfedelstenen of zo. Nou nee, dat hoefde voor mij niet. Waar moest ik die zooi laten op de motor? Evengoed namen we hartelijk afscheid. Hij wuifde mij vaarwel, eenzaam zittend op een steen, in zijn djellaba, in de ijskoude regen. In de gauwigheid had ik snel mijn winterhandschoenen aangedaan. Niet voor niets helemaal meegezeuld uit Harlingen.
Vanaf daar kronkelde de weg tientallen kilometers bergafwaarts. Ik kwam maar één uitgestorven dorpje, twee auto’s en drie schaapherders tegen. Moe en koud stopte ik na anderhalf uur rijden bij de eerste de beste uitspanning. ‘Je kan hier eten’ stelde een handgeschilderd uithangbord, en ‘Bikers welkom’. Een opgezette Renault 4 op een pilaar verleidde passanten tot een bezoek.
De uiterst vriendelijke gastheer had verder niets te doen – in november was er bar weinig toerisme daar. Hij maakte een ‘omelette berber’ voor me. Tomaten, uitjes, aardappel, olijven. Dat smaakte en mijn bevroren vingers kregen weer gevoel. Na koffie, een plas en een boer kon ik verder, nog ruim twee uur naar Tinghir. Het klaarde op, het kleffe regenpak kon uit.
De route voerde me door de Kloof van Todra. De rotswanden kwamen hier zo dicht bij elkaar dat ik ze bijna allebei kon aanraken. Locals waren aan het pootjebaden in het riviertje de Todra. De eerste keer dat ik ook echt water zag in een bedding. Langs de weg stond het vol met kraampjes en optrekjes waar men probeerde wat bij te verdienen aan de toeristen. Van souvenirtjes houd ik me verre, maar een bakje koffie ging er wel in. Daarna verder. Al snel had de kloof zich verbreed tot een vallei met prachtige okergele panorama’s.
Terug naar het begin. Intussen was ik klaar met dromerig in de verte kijken. En met plassen. Ik stapte op de motor, draaide de weg op en vervolgde mijn weg naar de eindbestemming van die dag. In het plaatsje Tinghir vond ik een fijn hotel, met de ronkende naam ‘La Vallée des Kasbahs’. Een gebouw met veel couleur locale. Het kostte alweer bijna niets en ontbijt en diner waren inbegrepen. Een menulijst hadden ze niet, maar: “Wat zou u willen eten?” Nou, dat kon ik zo snel niet beslissen. Dus ze boden aan om van alles wat op een bord te doen. “Ja, doe dat dan maar.”
Het was even wachten in de met Arabische motieven gedecoreerde eetzaal, begeleid door schetterend tv-commentaar op de voetbalwedstrijd Nigeria-Gabon. Daar bracht de aardige kokkin me een enorm bord met én worstjes, én kipstukjes, én köfte (gehaktballetjes), én frietjes, én gebakken aardappelen, én pasta met kaassaus, én tomatensalade, én gemengde gekookte groenten. Pfoei, wat veel. Met “Une café pour dessert, s’il vous plaît” besloot ik de maaltijd en de dag.
