Workshop geluiddemping voor klassieke racers

“Ik ben een egoïst en daarom demp ik mijn uitlaat”

AMSTERDAM – Eind februari, begin maart bibberde Nederland onder het laatste offensief van Koning Winter. Het was uitgerekend tijdens de eerste dooidag dat Ted Haanappel (62) zijn uitlaatgeheimen deelde met belangstellenden uit de racedemowereld. “Zo ingewikkeld is het niet”, zei hij. “Iedereen kan dit maken. En voor het behoud van onze hobby moeten we zelf de eerste stap zetten naar minder geluid.”

Ted geeft graag meer uitleg. “De gegevens komen rechtstreeks van Paul Klaver.”

Als officieel erkend Ducatidealer verhandelt Ted via zijn bedrijf ‘Motortoer’ kapitale machines met honderden PK’s aan het achterwiel. Diep in zijn hart houdt hij echter vooral van klassieke racemotoren – zoals de Moto Guzzi V50 waarmee hij sinds een aantal jaren vooral endurances rijdt in Nederland en Duitsland. Daarom heeft Ted zich uitgebreid verdiept in de theorie en de praktijk van in- en uitlaten, met name als dat mínder lawaai en méér vermogen en koppel oplevert.v

“Eigenlijk ben ik een egoïst”, legt hij uit. “Ik wil zelf zo graag blijven rijden bij deze races en racedemo’s. Dat is de reden dat ik me heb verdiept in effectieve geluidsdemping. Zorg nou er allemaal voor dat er dempers op je motor zitten. Wat ik heb ontwikkeld voor mijn Guzzi werkt op iedere motor en is eenvoudig zelf na te maken voor iedereen die een klein beetje handig is. En ben je dat niet, dat kan je bij mij komen en help ik je wel. Het is ook in mijn eigen belang.”

Een ‘krulletje’ in de uitlaatpijp maak je eenvoudig met behulp van een grote dopsleutel.

Geef ze geen stok om te slaan

Vertegenwoordigers van racedemo-organisaties als HMV, CRT en SAM waren aanwezig bij de workshop. Iedere club hanteert zijn eigen technische reglementen, maar allemaal gaven ze aan dat daarin al aandacht was besteed aan geluidslimieten. Nu de praktijk nog: de handhaving.

Ted: “Bij vaste circuits als Assen of Zandvoort en eigenlijk overal in Europa meet men al tientallen jaren het geluid. Dat gebeurt nog niet voldoende bij de demo-organisaties. Maar als zij zo doorgaan graven ze hun eigen graf. Dat is een besef dat zou moeten doordringen. Nu gaat het allemaal goed, niemand klaagt of handhaaft. De burgemeester maakt een rondje in de zijspancombinatie, de chef brandweer geniet van de sfeer. Maar aan het geluid doen jullie geen donder. Met vier open pijpen janken de viercilinders de baan over. Soms kan je dat zes dorpen verderop nog horen. Straks gaat er een keer geklaagd worden, de vergunningsvoorwaarden en de reglementen worden erbij gehaald en dan zegt de overheid: ‘Jullie krijgen het niet voor elkaar om iets aan de geluidsoverlast te doen’, en gedaan is het met de demo op die plek. Je moet dit soort dingen vóór zijn, je moet hen geen stok geven om de hond te slaan.”

“Het is lastig”, zegt een official van de HMV. “Je spreekt iemand aan over zijn uitlaatgeluid en je krijgt een enorm grote mond.”
Een keurmeester van het CRT: “Of ze komen bij de keuring met decibelkillers en even later zie je hen de baan opgaan zonder die killers. Ik maak er nu al een gewoonte van om tijdens de sessies op verschillende plekken langs de baan te staan met een decibelmeter. Als ik denk: dit kan niet, geef ik de wedstrijdleider een seintje. En dan heb je nóg mensen die doen alsof ze een zwarte vlag niet zien.”
De SAM: “We hebben nu twee seizoenen lang aangekondigd dat we gaan controleren op geluid. Dit jaar gaat het echt gebeuren. Hoe mooi we het ook vinden soms, die dikke klappen of dat harde loeien, het kán niet meer onbeperkt. Wie opvalt wordt eruit gehaald. Pas nadat je iets aan je uit- of inlaat hebt gedaan mag je de baan weer op.”

Geluidsdemping, theorie en praktijk

Een vijftiental belangstellenden verzamelt zich in de werkplaats van Motortoer. Ted Haanappel begint met het verspreiden van een lijst met verplichte literatuur, met auteurs als Gordon Blair, David Vizard, John Bradley en Paul Klaver. “Ik heb heus niets zelf bedacht”, zegt Ted. “Al in de jaren zestig bestond deze kennis. Ik heb gewoon veel gelezen, van alles uitgeprobeerd, gepraat met mensen als Paul Klaver en Jan Vos en er zelf diep over nagedacht.”

Ingenieur Paul Klaver is bekend in de motorwereld. In de jaren zeventig beschreef hij in Moto73 het maken van expansie-uitlaten voor tweetakten. Ted neemt in de workshop de viertaktmotor als uitgangspunt, “maar bij een tweetakt gelden dezelfde natuurwetten.” Hij legt uit hoe de drukpuls van hete, gecomprimeerde uitlaatlucht op het ritme van de uitlaatkleppen heen en weer gaat. Daar moet je in meegaan en je moet er gebruik van maken, stelt hij. Een subtiel ‘krulletje’, een omgeschulpte rand aan het begin van een demperpijp, maakt al vele procenten verschil in de luchtstroming, de geluidsproductie en de vermogensontwikkeling.

Lambdasonde.

Bij het begin van de uitlaatbocht gaat de uitlaatdiameter terug naar die van de klepzitting en aan het begin van de megafoon of uitlaatdemper gaat de uitlaatbuis bij Ted terug naar de diameter van de opening in de cilinderkop. “Ook dat beïnvloedt het verloop van de drukgolf van de uitlaatgassen.”

“Het is jammer dat je op een motor al snel gebrek aan ruimte hebt. Eigenlijk moet je na de uitlaatbocht een bufferkamer hebben van tien maal de cilinderinhoud en aan de inlaatkant een airbox van hetzelfde volume. Dat is niet te realiseren, maar je kunt een poging doen. Dat helpt! Hoe groter die kamer, hoe kleiner de demper die je nodig hebt.”

Geen dure materialen nodig

“De demper zelf maak je uit een buis van zo groot mogelijke diameter. Hoe korter en dikker, hoe efficiënter hij werkt. Zoek maar naar een compromis, dat er nog net goed uitziet. De buitenbuis voorzie je van een geperforeerde binnenbuis. Gebruik hiervoor plaat van 1 millimeter met gaatjes van drie millimeter. De tussenruimte vul je op met losjes aangebrachte dempingswol. Nee, niet met glaswol of pannensponzen! Het hoeft geen duur spul te zijn, maar je moet wel de juiste materialen toepassen. Als het goed is blijf je experimenteren, op zoek naar een optimale configuratie. En soms rij je het plat.”

In de uitlaatbocht van zijn Guzzi monteert Ted altijd een lambdasensor, met in het dashboard een aflezertje. Zo’n sensor is in de autohandel gemakkelijk verkrijgbaar en de in classic racekringen bekende Bert van de Zande maakt de digitale kastjes. “Hoe meer LED’s er aangaan, hoe rijker het mengsel is. Dan weet je waar je over praat bij het afstellen van je carburateurs. Met de benzine van tegenwoordig kan je niet meer afgaan op de kleur van je bougies. Gebruik in elk geval altijd de beste super van BP of Shell, of Firezone 102. In de rest zit allerlei troep.”

Voor wie wil gaan bouwen: van de lengte en diameter van bochten, kamers en dempers geeft Ted je graag standaardmaten en rekenformules door.

Tekst en foto’s Gijs van Hesteren
Dit artikel is eerder gepubliceerd in Het Motorrijwiel nr. 153

Leave a Reply