Schurend over het asfalt in Chimay

Chimay 2018

Voor dit verhaal keren we terug naar gelukkiger tijden, zonder pandemie of oorlog, naar de classic races op Chimay in 2018. Voor mezelf was dit niet zo’n geweldig weekend. Het was niet de meest geslaagde of succesvolle race van het seizoen.  Maar het verhaal moet toch een keer verteld worden.

De XS in het rennerskwartier van Chimay, vlak voordat de stuurkuip aan diggelen zou gaan.

Al sinds 2010 hadden Inge en ik als journalistenkoppel de klassieke motorraces in Chimay bezocht. We schreven spannende reportages voor diverse motorbladen. Ik wilde er altijd al dolgraag als deelnemer meerijden, maar Inge verbood het me. Daarvoor had ze gegronde redenen. Het stratencircuit was niet zonder gevaren, zeker in die periode. Dodelijke slachtoffers waren geen uitzondering. Ik heb me steeds gehouden aan haar klemmende wens, al wist ik uit eigen ervaring dat er nog wel gevaarlijker banen bestonden waar ik wél races reed.

Intermezzo in ‘17

Enfin, na Inge’s overlijden begin 2017 voelde ik me minder gebonden door de afspraak. Sowieso wist ik in die periode niet zeker wat ik voelde, en óf ik iets voelde. Als weduwnaar leefde ik in een niemandsland, een voorgeborchte, waarin alles wat om mij heen gebeurde zich verschool achter een waas van onwerkelijkheid. Het was zoeken naar inhoud, naar betekenis. Eropuit, dat had ik snel begrepen. Beleving, belevenis.

Ik schreef me daarom in voor de zogenaamde ‘Parade’ op Chimay. Deze was niet bedoeld als een wedstrijd, maar als een mogelijkheid voor voorzichtigere en langzamere rijders. Alles was anders. Niet meer samen met Inge in de camper, maar in mijn dooie eentje en met de ziel onder mijn arm was ik naar de Belgische Ardennen gereden. De motor stond op de aanhanger, achter de Suzuki Swift. De camper had ik al verkocht. Iedere rit daarmee was steeds uitgelopen op een confrontatie met iets teveel herinneringen.

Natuurlijk reed ik met de trouwe Yamaha XS 650. Het snelle racemotorblok was nog in opbouw, dus de voortstuwing werd verzorgd door een vrijwel standaard blok met 650 cc en pakweg 45 pk aan het achterwiel. Snel genoeg voor een parade. En die verliep heel goed.

Pijnlijke beginronde

Een jaar later was het snelle nieuwe blok klaar. Daarmee meldde ik me voor de raceklasse 750 cc met bouwjaar tot en met 1972. De pakweg zestig paardenkrachten zouden voldoende moeten zijn om niet helemaal achterin het deelnemersveld te finishen.

De eerste training al ging het mis. Vanuit de opstelfuik lieten de baancommissarissen ons de baan op. We waren met een stuk of veertig; de 750 en de 500 groep 1 zouden samen de wedstrijd rijden. Wijselijk had ik me alvast in de achterhoede opgesteld. Ik gaf voorzichtig wat gas, om de koppeling en de versnellingen te testen. We reden op bocht 1 af, met een gangetje van pakweg zestig kilometer per uur. Whoeps, het volgende dat ik gewaarwerd: met een dikke, al het andere verdovende dreun kletterde ik op het harde asfalt. Daar schoven de XS en ik over de baan, zeker twintig meter op mijn gezicht. Maar goed dat er een integraalhelm tussen mijn neus en kin en het schurende wegoppervlak zat. De helm kon daarna meteen door naar het grofvuil. Vanuit een ooghoek zag ik de XS vonkenspattend wegschuiven. Rutger Stoop, die achter me reed tikte er tegenaan en ook hij ging onderuit. In zijn geval zonder nare gevolgen.

Wat gebeurde er? Het gashendel was blijven hangen, in een reflex had ik de voorrem ingeknepen, de voorband raakte die van mijn voorligger en hoppa. Je voelt eigenlijk niets op zo’n moment. Je lichaam schiet ineens vol met adrenaline. Reflex één is: omkijken, komt er iets achter me aan? Twee: opstaan, naar de motor. Is ie niet beschadigd? Belachelijk natuurlijk. Kijk eerst naar jezelf. Dat deed ik. Er knakte iets vreemds in mijn rechterschouder. Hm, misschien even blijven liggen, totdat ik had uitgedokterd wat daar aan de hand was.

Even de dokter erbij

De baco’s zwaaiden met rode vlaggen. ‘Sessie geneutraliseerd’. De tijd voor dokteren kreeg ik niet, want de eerste baancommissaris stond er al bij, roepend (in het Frans denk ik, maar dat weet ik niet meer): “Blijf maar even liggen! De EHBO is onderweg!”

Dat is het grote voordeel van circuitrijden en -racen: behalve dat de meesten weten wat ze doen en dat iedereen dezelfde kant op rijdt is de dokter nooit ver weg. Het was maar een paar honderd meter naar de dokterspost dus in een ommezien werd het druk me heen. “Help me even overeind”, murmelde ik nog, maar daarvan kon geen sprake zijn. “Nee, niet opstaan. Wie weet is er iets met je nek. Blijf maar gewoon even liggen. Heb je ergens pijn? Linkerhand? Rechterschouder? Okee, we leggen een nekbrace aan.”

Ik vond dat het wel meeviel, adrenaline weetjewel, maar de BHV’ers en de dokter dachten er anders over. Dolblij dat ze wat te doen hadden rolden ze me op een houten plank. Dat ging niet vanzelf, ontdekten ze al meteen. De rijder woog 125 kilo. Met een extra mannetje lukte het. Zwaailicht en sirene gingen aan en ze voerden me af, eerst naar de hulppost en daarna met een gemeente-ambulance naar het lokale ziekenhuis. Op het circuit ging de wedstrijdleiding over tot hervatting van de activiteiten.

Dit was een weekend waarin zo’n vier- tot vijfhonderd gekken op een supersnel circuit zo hard mogelijk zouden gaan rijden. Je zou verwachten dat een ziekenhuis zorgt voor wat reservepersoneel. Dat leek niet het geval. Een verdwaalde verpleegster en een spoorloze dokter, dat was het. Daar zat ik dan, na het afstropen van mijn leren raceoveral, bibberend in onderbroek en t-shirt in een behandelkamertje. Na twee uur kwam de dokter even kijken. Nog twee uur later waren de röntgenfoto’s genomen. En nóg twee uur later zag ik de dokter weer. Hij sprak uitsluitend Frans, maar ik begreep dat het ging om breuken in een sleutelbeen en een middenhandsbeentje. Zoiets dacht ik zelf ook al. Voor de linkerhand kreeg ik nog weer een uur later een gipsje. Het sleutelbeen zou vanzelf wel genezen, dus daar bleef het bij een mitella.

Dodelijke verveling

Natuurlijk zat ik zonder telefoon in dat ziekenhuis. Die neem je niet mee als je het circuit op gaat. Tenminste, tot dan toe had ik dat nooit gedaan. Voortaan wel, in mijn binnenzak, haha! Ik verveelde me al uren het leplazerus, terwijl de botjes steeds zeurderiger pijn begonnen te doen. Eén telefoonnummer wist ik me te herinneren – de rest had ik vergeten. Dat krijg je als je gaat werken met smartphones. Ik belde met mijn oudste zoon, Gijs junior. Deze hoorde mijn uitleg geduldig aan, vergezeld door ooh’s en aah’s, tot aan het moment dat ik meldde dat ik zelf terug naar Nederland zou rijden. Dat zou misschien een beetje bezwaarlijk worden, vond hij. “Kom nou! We komen nú naar Chimay!” riep hij. “We halen je op!”

Okee, okee. Dat was een hele geruststelling. Maar daar zat ik dan, nog steeds in dat behandelkamertje. “Hoe ver zijn we hier eigenlijk van het circuit?” vroeg ik aan de zuster. “Nou, een paar kilometer”, zei zij. Dat viel mee. “Nou, tot ziens, dan ga ik maar.”

“Pardon, gaat u lopen?”

“Ja, hoe moet ik er anders naartoe?”

“Dat kan niet hoor! Is er niemand die u kan ophalen?”

“Dat weet ik niet. Ik ben alleen naar België gereisd en ik heb nu geen telefoon bij me.”
“Wij bellen wel even met de race-organisatie”

Ik had stiekem inderdaad een beetje opgezien tegen de wandeling, met een kloppende linkerhand en een rechterschouder met over elkaar heen knarsende stukjes bot. In motorlaarzen, onderbroek en t-shirt, want de raceoveral kreeg ik zo niet meer aan. “Nee, nee. Men haalt u op, blijf nog even zitten.”

Echte motorvrienden

Na een half uur werd het druk op de gang. Als eersten stonden daar medecoureurs en paddockburen Jan Frank Bakker en Jan Beens. Geweldige mannen, motorkampioenen, met een ruime bestelbus. Even later reed Maxim voor (Makz in de wandelgang). Ter geestelijke ondersteuning had hij in zijn zijspan ook vrouw en dochter meegenomen. Heerlijke motorvrienden. Licht teleurgesteld waren zij, dat ik liever koos voor de relatieve stabiliteit en veiligheid van de bestelbus.

Terug in het rennerskwartier installeerden Jan Frank en Jan mij in een kampeerstoel voor mijn caravan. Ik vertelde dat mijn zoon me zou komen ophalen, dezelfde avond nog. “Goed, blijf lekker zitten Gijs. Wij pakken je motor en spullen wel in. Wil je een paracetamolletje? Biertje? Warme maaltijd?”

Hm, ik was lichtelijk en letterlijk onthand. Doe maar alledrie. Het werd een mooie avond, beneveld als ik was door de biertjes en door de opiaten die het ziekenhuis me had meegegeven. Eén voor één kwamen medecoureurs even poolshoogte nemen en natuurlijk lieten ze me allemaal hun race-littekens zien. Pfoeh, lange ritssluitingen en kromgegroeide ledematen.

“Nu hoor je er pas echt bij, Gijs!”

Een lang verhaal kort: Rond half twaalf ‘s avonds stonden zoon Gijs en schoonzoon Lajos voor mijn neus. Zonder veel omhaal werd ik in de Volvo gehesen en de terugreis werd aanvaard. Die was af en toe best een beetje pijnlijk, net zoals de daaropvolgende twee weken dat waren. Slapen en billen afvegen en douchen werden een uitdaging.

Het goede nieuws was dat we destijds in een soort woongroep leefden in het supergrote bedrijfspand dat ik toen nog bewoonde. Het was daar een beetje stil geworden na de dood van Inge. Maar onze jongste, Jip, woonde al vanouds bij mij. Dochter Wies en schoonzoon Lajos hadden hun Groningse woning kort daarvoor verkocht. Ze bevonden zich in een tussenfase. Ze overwogen te gaan wonen in Harlingen. Ik had aan hen en hun zoontje en dochtertje twee grote slaapkamers ter beschikking gesteld. Bij Gijs junior op zijn beurt was de relatie stukgelopen. Ook hij woonde in zo’n slaapkamer.

Deze constructie betekende voor mij prettig gezelschap, zo kort na het overlijden van Inge. Voor een verse weduwnaar zouden vereenzaming en wegzinken in depressie anders direct om de hoek liggen. Maar dit was ook echt hándig! In de ochtend kon ik aanvankelijk niet zelf uit bed komen met dat gebroken sleutelbeen. Dan appte ik naar beneden: “Wie kan me even uit bed sleuren?” En dan was de thuiszorg nooit ver weg.

Nog meer goed nieuws: de tijd heelt alle wonden. Zowel de mentale als de lichamelijke. Een paar maanden later reed ik alweer met de opgekalefaterde XS 650.

Twee maanden later, met een ander racescherm op de motor en mijn reservehelm op mijn kop, reden de XS en ik alweer, in de racedemo van Dodewaard.
En begin oktober in Oosterwolde (Foto: Jan Exel)

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *