Een motor is vrouwelijk (2)

Van horrorwinter naar motorzomer –
deel 2

In deel 1 vertelde ik over mijn verhuizing. Nu wat meer over de motoren. Óók in de schuur stond mijn nieuwe AJS. Een mooie vind ik zelf. Het is een 350 cc eencilinder, type 16MS van 1958. In oktober 2018 had ik gereageerd op een advertentie in Satisfaction Guaranteed (tevredenheid verzekerd), het clubblad van de Nederlandse AJS en Matchless Vereniging. Jan Driessen uit Zevenaar had haar van voor tot achter gerestaureerd. Is een motor een haar of een hem? Ik houd het op de vrouwelijke vorm, net als bij oude schepen.

Bijzonder in Austerlitz: de motorvrienden die elkaar daar tegenkwamen. Mensen die ik nog kende van de tijd dat ze jeugdpuistjes hadden. V.l.n.r.: Edwin Brands (net als ik ooit voorzitter van de SAM), Roel Blom, dinges wiens naam op het puntje van mijn tong ligt (sorry, leeftijd), Gerrit Oskam, mijzelf, Henk Polman, Cor Elbersen en zijn broer, Karl de Bruijn, Peter Weeink.

Sleutelen was meer Jan z’n ding dan rijden, zo zei hij zelf. Daarom mocht ik haar overnemen. Prachtig gerestaureerd, tot in alle details. De aankoop maakte me heel blij. Met deze Britse éénpitter herbeleefde ik mijn jongste motorjaren. Die waren immers in 1972 begonnen met een Matchless, het zustermerk van AJS. Tot 1983 reed ik bijna uitsluitend met AMC-motoren. AMC was het overkoepelende bedrijf voor de merken Norton, Matchless, AJS, Sunbeam en Francis Barnett. Allemaal namen die allang tot het verleden behoren.
Ik heb gelukkige herinneringen aan de begintijd van de AJS en Matchless Vereniging. We waren jong en sterk. Deze periode kwam tot een eind na de diefstal van de Matchless G3 uit 1949. En ook doordat ik het vanaf die tijd steeds drukker kreeg met varen.

Austerlitz

Enfin, de nieuwe AJS. Eerst een terugblik. In 2019 heb ik er niet zo veel mee gereden. Ik hield me dat najaar vooral bezig met schipperen van platbodems op het Wad en met rondvaartboten in Amsterdam. En met klassiek motorracen. Twee wat grotere ritten herinner ik me van 2019. De eerste was in de lente, naar de Eenhoornbijeenkomst te Austerlitz. Tot dat moment had ik de AJS nog totaal niet aangeraakt, afgezien van korte ritjes in de omgeving en natuurlijk het preventief toedienen van verse smeermiddelen en ethanolvrije benzine. Het viel me dus reuze mee dat de 360 kilometer uit en thuis zonder ook maar één incident verliepen. Al was er één dingetje: met meer dan half gas of meer dan pakweg vierduizend toeren hield de motor in. Misschien zat er een extra grote sproeier in, voor het inrijden? Jan Driessen bevestigde deze theorie desgevraagd.

Austerlitz, Eenhoorntreffen. De eerste grote rit die ik maakte met de AJS.

Het leek me niet zo erg. Met het gashendel half opengedraaid liep ze 85 per uur en dat was snel genoeg voor binnendoor. Op de terugweg kwam ik onverhoeds toch op een vierbaans autosnelweg terecht. Dat ging goed; beetje meekachelen met vrachtauto’s. Totdat van rechts de vierbaansweg vanuit Flevoland invoegde. Ineens bevond ik me op de middenstrook van een asfaltlint van honderd meter breed; links en rechts raasden Audi’s, BMW’s en Volvo’s me voorbij. Zonder richtingaanwijzers – die zitten er niet op – en met mijn rechterbeen uitgestoken wist ik uiteindelijk de meest rechtse strook te bereiken. Vanaf daar alles wel aan boord.

Zevenaar, oktober 2018. Jan Driessen zit nog één keer op de AJS die hij zo mooi restaureerde.
(Alle foto´s: Gijs van Hesteren)

In september ’19 een wat langere rit, dit keer naar het Veteranentreffen te Woerden, dat toen nog wél gewoon doorging. Prachtig nazomerweer, een zeer gezellig treffen, met een tussenstop bij het ‘Klubhuis’ van de Yamaha Twin Klub, toen nog bij Kamerik. Intussen is de klub (ja sorry, club met een ‘k’. De vereniging is opgericht in de tijd van ‘krities’ en ‘fantasties’) verhuisd naar Barneveld, waar het nóg mooier is dan in het vorige optrekje. En het motortje snorde tevreden, maar nog steeds niet sneller dan 85.

Vierduizend toeren

En dan bereiken we 2020, het wereldwijde ‘rare jaar’. In deel 1 van dit verhaal was ik gebleven bij het voorjaar. De lockdown vanaf maart was voor ons allemaal de eerste aflevering van de moeilijke coronaperiode. We moesten thuis blijven, mochten niemand opzoeken, laat staan aanraken en er was nergens iets te beleven. Dat maakt het knutselen in je motorschuur een therapeutische handeling.

‘Zen en de kunst van het motoronderhoud’, naar de titel van het cultboek dat Robert Pirsig schreef in de jaren zeventig. Zo was het ook voor mij. Nadenkend naar de motor kijken, af en toe een stukje gereedschap uit de la pakken, bij schuur-eigenaren Albertha en Jan af en toe een kopje koffie, waarbij we de stand van zaken in de wereld bespraken.

Het was lang zoeken, maar aan de spanningsregelaar van Hans Beck lag het zéker niet. Dank Hans, voor al je hulp en bijstand.

De sproeiertheorie bleek bij nader onderzoek niet te kloppen. Dan maar kijken of de ontsteking op de juiste wijze functioneerde. De contactpuntjes had ik vorig jaar al vervangen door elektronica van Hans Beck. Mooi en degelijk spul. Mijn racevriend Tajan van der Wiel van Motorsport Harlingen zorgde dat alle moderne onderdelen ook pasten op de klassieke motor.
Iets vreemds viel me op. Het systeem laadde goed bij tot ongeveer vierduizend toeren. De ampèremeter in de plus. Boven dat toerental stopte het laden ineens. Even terug naar stationair en hup, daar begint hij weer te laden. Hoe kon dat nou?
Enfin, het leidde tot veel gesleutel, waarbij ik achtereenvolgens de accu en de spanningsregelaar verving. Hans Beck dacht op afstand geweldig met me mee. En Tajan hier in Harlingen. Tóch, het AJS’je bleef inhouden. Zo één, twee, drie kwamen we er niet uit. Met de Yamaha XS zou ik naar Startrick Tuning in Terborg. Afstellen van het ontstekingstijdstip, of de samenstelling van het brandstofmengsel: Hans van der Starre is daar goed in.

Hans van der Starre zoekt en zoekt. Een reservebobine van drie Ohm hebben we daar niet beschikbaar, dus de oorzaak vind ik pas later, als we weer in Harlingen zijn.

De AJS ging ook mee het busje in en bij Hans de werkplaats in. Een mooi gezicht was dat, het 18 pk ééncilindertje op de imposante rollenbank. Veel herrie. De video staat op Adobe Spark: https://adobe.ly/32Z307g. Hans is niet voor niets een autoriteit op het terrein van Italiaanse carburateurs. Hij verving de Wassellcarburateur door een Dell’Orto. Misschien zouden we daarmee voor eens en voor altijd uitsluiten dat het euvel aan het brandstofsysteem zou liggen. De motor bleef echter overslaan en knallen.

Pas later, terug in Harlingen, vond ik de oorzaak: een kapotte bobine. Boven een bepaald toerental maakte dat ding ergens binnenin kortsluiting of zo, waardoor het boordvoltage steeg tot boven de 23 volt. Hans Beck z’n prima spanningsregelaar besloot op zo’n moment wijselijk dat de stroomtoevoer beter even onderbroken kon worden – vandaar het overslaan en inhouden. Na vervanging van de bobine door een moderne van 3 Ohm (Harley Davidson, geloof ik) liep het Britse éénpittertje ineens zoals het hoorde. Lekker doortrekkend in de versnellingen, met een mooie roffel. Ze tikte ineens met gemak de honderd aan, en met wat geduld zal het nog wel wat sneller kunnen. Respect voor het nog maar pas opnieuw gemonteerde en reeds zestig jaar oude mechaniek weerhield me van verder doorhalen.

Toch een raceseizoen

Kleintje TT, eind juni.
(Foto: Ad Kievit)

Het werd ineens best druk met de klassieke racerij. De racedemo’s en wedstrijden op stratencircuits waren allemaal afgelast, maar vanaf begin juni konden we rijden op vaste banen, afgesloten voor publiek. Duurder, maar heel leuk en leerzaam, want met de XS had ik heel veel stratenevenementen gedaan, maar nog nooit reed ik met haar op een ‘echt’ circuit. Ik merkte dat ik daar met mijn beperkte coureurscapaciteiten toch wat meer durfde aan te zetten.

Jammer van de racedemo’s die we zouden rijden bij de SAM. Die gingen geen van alle door. Evenmin de ZZ-races in Noord-Groningen, de raceklassieker in St. Wendel in het Duitse Saarland, de geweldige historische wegraces in de Belgische Ardennen.
Ik verlangde naar de bijzondere sfeer van Chimay, met naast het historische stratencircuit het kleine stadje. De fles abdijbier die elke rijder krijgt uitgereikt bij inschrijving, de vijfhonderd deelnemers. De indrukwekkend lange rechte einden. Het moment dat we het bos in duiken voor de afdaling naar het café. Mijn favoriete bacoteam en al die andere oude en nieuwe vrienden.
Ik miste de achtbaan van België in Gedinne, met de snelle lange doordraaiers bergop en bergaf, de hobbels in het wegdek, de afdaling naar start-finish, het goedmoedige publiek, het rennerskwartier – stoffig als het warm was, een modderpoel als het regende. Tot volgend jaar.

Begin augustus met de Yamaha Diversion 900, een beste kolos, naar het circuit van Zandvoort.
(Foto: ‘Leuk op de foto’)

Naar de vaste circuits dan maar. Overal en nergens ben ik geweest: in dit deel 2 noem ik twee keer Midlandcircuit te Lelystad, twee keer met de Black Mamba-racers op Mettet. Later kom ik er nog op terug.

Over het ‘Kleintje TT’ Assen, eind juni op de ‘echte’ TT-datum, rapporteerde ik al in 653, het clubblad van de Yamaha Twin Klub en in de decemberaflevering van Het Motorrijwiel. Voor mij volstaat het hier dat ik vermeld hoe snel het was, hoe leuk, hoe enorm wolkbreukerig op bepaalde momenten en hoezeer voor herhaling vatbaar. Ik was bezorgd geweest over de decibellen, maar op het TT-circuit kreeg ik géén zwarte vlag en Startrick-Hans zei niet voor niets: ‘Volgens mij maakt ie helemaal niet zoveel lawaai hoor.’

Wordt vervolgd in Deel 3

 

2 thoughts on “Een motor is vrouwelijk (2)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *