Met de Puch naar Italië

1970 . De Puch Skyrider

Ter afwisseling op de serie ‘Van Horrorwinter naar motorzomer, ‘over mijn tweewielerbelevernissen in 2020, kijk ik in dit verhaal wat verder terug. Naar vijftig jaar geleden om precies te zijn.

Een Puch, een Tomos en twee jongens op reis

Het leven hangt van toeval aan elkaar. Gisteren ook weer. Ik rijd de straat uit, nadat ik mijn ‘nieuwe’ Moto Guzzi California II heb laten zien aan mijn jongste zoon. Een lang gekoesterde wens, deze motor; eindelijk heb ik een goeie gevonden. Op de hoek staat een schuurdeur open. Ik zie een Lomax staan, een kitcar op basis van een 2CV. En ervoor staat een olijfgroen Puchje. Ik rijd verder, maar het Puchje laat me niet los. ‘s Avonds lees ik mijn e-mail. Ene Cor van Breukelen heeft me een bericht gestuurd. Op mijn weblog trof hij mijn artikel ‘Van Puch met hoog stuur naar Matchless caféracer‘ aan. Dat schreef ik ooit voor ‘Satisfaction Guaranteed’, het clubblad van de AJS & Matchless Vereniging.

‘Je schrijft in dat verhaal dat je met die Puch en Egbert Kalle naar Italië bent geweest’, bericht Cor. ‘Zou je daar iets over willen schrijven? Heb je er ook foto’s bij? Als Puch en Tomosclub zijn we uitermate enthousiast over zo’n verhaal.’
Ik vraag ik me af wat ik nog weet van die reis. Weinig, maar ik begin wat dingen te noteren. Al tikkend op het toetsenbord komen de herinneringen met hernieuwde scherpte voor mijn geestesoog. Ik denk terug aan vijftig jaar geleden. Ineens ben ik vijftien en ik woon op internaat Saint Louis in Oudenbosch. Ik zit in de derde en ben een bleu jongetje. De mannen van de vierde klas rijden met brommers. Hondaatjes, Zündapps, Kreidlers, Yamaha’s. En een enkeling heeft een Puch. Wat vind ik dat interessant, en mooi.
Vlak voordat ik zeventien word ga ik weer thuis wonen, in Princenhage bij Breda. Geholpen door spaarcentjes, werkzaamheden als pompbediende en een ouderlijke bijdrage sta ik op een dag bij rijwielhandel Janus Van Nispen. Die bestaat nog steeds, leert Google mij. Met een kikkerbek-Puch rijd ik naar buiten. ‘Gijs reed de winkel uit en ik heb hem de hele dag niet meer gezien’, zei mijn moeder verbaasd. Dat dank je de koekoek, ik moest de Puch snel inrijden. En niet veel later begin ik natuurlijk met aanpassen: een hoog stuur, een expansie-uitlaat, groot voortandwiel.

Aanpassen van de Puch.
(Foto: Els van Hesteren)

Niet naar Zeeland

Met de Puch ontdek ik de wereld. Het hele land rijd ik door, overnachtend bij oma’s en tantes. Met onze Puchs en Tomossen maken mijn brommervrienden en ik Breda en omstreken onveilig. We zijn heel wat mans, vinden we. Mijn maat Egbert Kalle en ik willen vakantie vieren in Zeelandse badplaatsjes. Misschien dat mijn ouders dat nog wel zouden toestaan, maar Egberts vader zegt heel beslist: ‘Daar komt niets van in. Egbert gaat maar mooi mee op gezinsvakantie.’
Dat is dan naar de camping bij het Noord-Italiaanse Lago di Caldonazzo, waar de familie Kalle min of meer standaard verblijft in de zomer. We bedenken een compromis. Tot onze eigen verbazing mogen Egbert en ik erheen met onze brommers. Mijn ouders komen ook naar de camping.

Reisplan voor de heenreis, 1.340 kilometer, waarvan 685 per brommer.

Egbert moet een gedetailleerd reisplan indienen voor de pakweg 1.100 kilometer die we zullen afleggen. We zullen van jeugdherberg naar jeugdherberg reizen, opdat de herbergvaders van tijd tot tijd een oogje op ons kunnen houden. We laden kleding, gereedschap en een bougiesleutel achterop het rek en op een mooie dag vertrekken we, heel vroeg, uitgezwaaid door twee families.
In Nederland gaat het van een leien dakje. Overal rijwielpaden, ANWB-paddestoelen en fietswegwijzers – en we hebben wegenkaarten. Als jongetje van tien kon ik daar al mee uit de voeten. In 1964 gingen mijn moeder, jongere broertje en ik met de Peugeot 204 op vakantie, naar het strand bij Alicante. Mijn vader bleef thuis; hij moest werken. Mijn moeder kon niet kaartlezen, dus ik was degene die de route uitstippelde. Maar dat is een ander verhaal.

De wegwijzers leiden ons de Autobahn op, wat we toch wel spannend vinden.

Ergens bij Venlo rijden we Duitsland in. Ineens geen fietspaden meer. Gelukkig hebben we onze machines opgevoerd. We halen zeker 65 kilometer per uur op het platte vlak, dus we rijden niet al te zeer in de weg op de Landstrassen. Ons briefje met plaatsnamen weet niet te voorkomen dat we in het Roergebied af en toe verdwalen. De wegwijzers leiden ons de Autobahn op, wat we toch wel spannend vinden. Vooral als mijn expansie-uitlaat ineens los is gerammeld en over de weg stuitert. We stoppen op de vluchtstrook om het onderdeel op te rapen. Voordat dit lukt wordt de demper overreden door een vrachtwagencombinatie.
Het goede nieuws is dat we de uitlaat terughebben. Het slechte nieuws dat ie half geplet is. Een hamer hebben we niet bij ons, maar met behulp van een straatsteen uit de berm beuken we net zo lang totdat de demper weer om de uitlaatbocht past. Zo half en half dan, want waar de expansie-uitlaat al lawaaiig was, is de brommer nu uitgesproken luidruchtig. En een deel van het vermogen is ribbedebie.

Verdwalen

We vervolgen onze weg. Het reizen vergt meer tijd dan we gedacht hadden. Het verdwalen en de uitlaatpech hebben ons veel tijd gekost. Het is al bijna donker als we met driehonderd kilometer achter de kiezen de oprit van de jeugdherberg bij Koblenz oprijden. ‘Zo, zijn jullie daar eindelijk’, bromt de herbergier. Het is duidelijk dat het thuisfront hem al heeft ingeseind. Wij vinden dat jammer, want hadden plannen om de stad nog even in te gaan. Geen sprake van, zo blijkt al meteen. Bed opmaken en om tien uur het licht uit. Nou zeg.

We komen er iedere keer weer uit. We zijn jong, plooibaar en avontuurlijk.

We vergeten onze onvrede; we zijn hondsmoe na deze eerste dag. We vallen onmiddellijk in slaap en worden pas wakker als de zon opkomt. De volgende ochtend gaan we na een degelijk Duits ontbijt al vroeg op pad. De stemming is opperbest, hoewel het samen reizen wennen is. We zijn volledig van elkaar afhankelijk en kleine ergernissen kunnen snel uitgroeien tot grote irritaties. Vooral als we weer eens verkeerd rijden, of vergeten zijn op tijd te tanken en dus elkaar naar de volgende pomp moeten slepen. Maar we komen er iedere keer weer uit. We zijn jong, plooibaar en avontuurlijk.
We rijden door de Eifel; we volgen de loop van de machtige Rijn. De brommers hebben weinig moeite met de hellingen in het middelgebergte. Het gaat alleen niet zo snel. Egbert heeft een Tomos met drie versnellingen en kan bijna alles in z’n twee doen. Maar ik moet het stellen met twee voetversnellingen, met het pientere pookje om de trapas. Gezien het (veel te) grote voortandwiel duurt het soms even om het spul in z’n één op toeren te krijgen en te houden, zeker omdat de uitlaat aan alle kanten lekt. Gespeend van enig technisch inzicht weet ik van geen opgeven en het Puchje gelukkig ook niet.
Prachtig vinden we het traject. De Rijn slingert zich tussen steile hellingen, met aan de ene kant een autoweg en aan de andere een spoorlijn. We passeren de Lorelei bij Bingen, die voor mij al jaren eerder een bijzondere betekenis had gekregen na het lezen van ‘De Ringelingschat’ van Suske en Wiske. Moe maar voldaan bereiken we na ruim 220 kilometer de jeugdherberg van Karlsruhe. We hebben nu wat meer tijd om de stad te bekijken, maar daarvoor zijn we veel te moe.

Elke keer dat ik een Puch of Tomos zie denk ik even: koop ik er weer een?

Plan B

Omdat we zeventienjarige losbollen zijn besluiten we van de uitgestippelde route af te wijken. We vinden dat rijden langs de Rijn wel leuk. Ergens bij Straatsburg steken we de grens met Frankrijk over. We rijden weer een paar keer verkeerd en langzaam komen we in bergachtig gebied: de Vogezen. Vlak voor Colmar maakt mijn Puch een raar geluid. Hij stopt ermee. De boel zit vast. Met het boordgereedschap verwijderen we de cilinder. Daar valt van alles uit, een pistonpenclipje om te beginnen. Dat heeft zich losgewerkt en is blijven hangen aan een spoelpoort. De zuiger is overleden! Later leer ik dat je die clipjes altijd door een nieuwe moet vervangen. Egbert sleept me een paar kilometer verder, naar een brommerzaakje. Daar kent men de Puch niet. En wij spreken niet veel Frans. ‘Motobécane, Peugeot, mais oui, on les connâit, mais qu’est-que c’est ça? Une Puch?’
We bellen met Breda. Wat we uitvoeren in Colmar, vraagt men zich daar af. ‘Jullie zouden toch zus en zo rijden?’ Ja, waarom we in Colmar zijn, daarover krabben wij ons zelf intussen ook achter de oren. Maar we hebben goede ideeën. Als we nou eens de trein pakken, via Oostenrijk? Dat is toch het land van de Puch? Dan kopen we daar wel even een nieuwe zuiger en cilinder. Ja, zo gaan we het doen. We hebben budget, want we sparen overnachtingen en benzine uit.
We wachten een halve dag op het perron totdat de trein komt. Om een lang verhaal kort te houden: de reis voert via Basel en Zurich naar Innsbruck. Dit duurt in elk geval een uur of vijftien. In de trein hangen en liggen we in het gangpad, maar in Innsbruck slapen we gelukkig weer in een echt bed, in de jeugdherberg. Voordat we overstappen op de trein naar Italië lopen we een bromfietswinkel in en uit. Voor een appel en een ei kopen we een zuiger met cilinder. Vijf uur later stappen we uit in het station van Trento. Daar staat de familie ons al op te wachten.

Mooie meisjes, mooie brommers

Oók over het verblijf aan het meer van Caldonazzo zal ik kort zijn. Twee dingen vallen me daar op. De mooie Italiaanse meisjes allereerst en daarnaast de smaakvolle sportbrommers waarmee de lokale jeugd heen en weer knettert. Van het bestaan van Garelli’s en Fantics was ik op de hoogte, maar nieuw voor mij zijn merken als Italjet, Malanca, Aspes, Testi en Minarelli. Het geeft me een heel nieuwe blik op tweewielige voortbeweging. In mijn latere leven zal dat deels bepalend zijn voor mijn motorkeuzes, zoals onder meer een Ducati Monster, een Guzzi Le Mans en nu dus een California aan zullen tonen.

Toen ik begon met motorrijden nam broer Marnix mijn Tomos 5L over.

Terug naar de Puch en de Tomos. Na enkele weken vakantie brengt een lange treinreis ons terug naar Colmar. Daar monteer ik de nieuwe zuiger en cilinder. Helaas laat ik na het carter te controleren op restjes materiaal dat de vastloper heeft nagelaten. Na enkele honderden meters laat dat materiaal zich pletten tussen de nieuwe zuiger en de cilinderwand. De zuiger is daarna niet zo nieuw meer, maar gelukkig blijft het zaakje lopen. Vol goede moed rijden Egbert en ik via Noord-Frankrijk en België terug naar Nederland. We beleven geen avonturen die ik me nu nog herinner, dus het moet een voorspoedige reis geweest zijn. De zomer is afgelopen, de scholen beginnen weer en het gewone leven herneemt zijn loop.

De route van de terugreis.

Na een halve eeuw terugkijkend hecht ik nog een paar losse eindjes af. Egbert en ik verliezen elkaar uit het oog. Zo gaat dat. Pas bijna een halve eeuw later ontmoeten we elkaar bij een feestje in Breda, waar ik af en toe nog mijn jeugdvrienden Saskia en Robert bezoek.
Egbert en ik zijn zestigers en hebben allebei een bewogen leven achter de rug. Egbert werd architect, verloor zijn broer aan kanker, kreeg zelf deze ziekte, maar wist hem te overwinnen. Ik bevoer de zeeën, verloor een echtgenote aan hartfalen en blijf me desondanks verbazen over het avontuurlijke wonder dat leven heet. Zo denkt Egbert er ook over. ‘Gijs, we gaan samen deze marathonrit nog eens overdoen. Met Puchjes.’ Ik denk er het mijne van, maar het is een leuk plan.
De Puch Skyrider van toen blijft niet lang in mijn bezit. Niet lang na de Italië-tocht leen ik de brommer uit aan een vriend in Roosendaal. Deze belt mij op zondagochtend: ‘Gijs, je brommer is gestolen. En hij stond nog wel op slot!’ Ik ben veel te goed voor deze wereld en in mijn naïviteit vergeef ik het hem. Pas veel later dringt het tot me door dat het een vooropgezet plan moet zijn geweest. Exit Puch.

Zo denkt Egbert er ook over. ‘Gijs, we gaan samen deze marathonrit nog eens overdoen. Met Puchjes.’

Van het verzekeringsgeld koop ik een Tomos 4L. Samen met mijn techneutische vriend Robert bouw ik er een vijfbak in. Een tuningbedrijfje neemt de cilinder onder handen. Vijf PK! Ineens heb ik een wapen waarmee ik Kreidlers en Yamaha FS1’tjes inhaal. Later ga ik motorrijden. Mijn jongere broer neemt de Tomos over en later gaat hij naar een vriend van hem. Dat is het eind van mijn brommerjaren. Maar elke keer dat ik een Puch of Tomos zie, in een schuurtje, op straat, op een beurs, denk ik even: wat waren dat mooie tijden! Koop ik er weer een? Zal ik of zal ik niet?

Nee, ik zal niet, tenzij Egbert me nog belt.

Foto’s: Archief Gijs van Hesteren
Afbeeldingen: Google Maps

Dit verhaal verscheen eerder in het verenigingsblad Puch66 en daarna in Het Motorrijwiel (vergeet niet je te abonneren op dit mooie tijdschrift).

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *