Schudden, dreunen, roffelen en snorren (4)

Vaals, oktober 2020. Met Gijs junior, de California en de Diversion op het Drielandenpunt. (Foto’s, tenzij anders vermeld: Gijs van Hesteren)

Van horrorwinter naar motorzomer –
deel 4

Een nieuw jaar en daarom een nieuwe aflevering van motorbelevenissen in 2020. In  deel 1 vertelde ik over mijn horrorverhuizing en het inrichten van de ‘nieuwe’ motorschuur. Deel 2 behandelde avonturen met de AJS en de voorbereidingen van het raceseizoen. In deel 3 veel techniek en de trainingsdag in Lelystad. Vervolgens trokken we naar het TT-circuit, lees daarvoor Kleintje TT eindigt kletsnat. Dit vierde deel gaat in op de Moto Guzzi die ik in mei aanschafte. Afsluitend vertel ik over een tochtje naar Mettet.

Italiaans icoon: de Moto Guzzi

Nog helemaal niets heb ik in deze serie verteld over de Moto Guzzi California 2, die ik half mei had aangeschaft. Een machien dat al een tijdje door mijn hoofd spookte. Mijn dagelijks tweewielig vervoer was tot dan toe een Yamaha Diversion 900 uit 1996. Dit is een geweldige motor, die mijn Osse motorvriend Noud Lourenssen me gunde ‘voor weinig’. De Diversion is een machine die ondanks zijn leeftijd van bijna 25 jaar alles goed doet. Op één ding na, vond ik: het tonen van enigerlei eigen karakter, van welke aard dan ook. Een soort auto, maar dan leuker, omdat je een tweewieler berijdt.
Ik heb er heel wat tevreden kilometers mee gemaakt, maar zocht toch iets anders. Wél weer een toermotor, want dat past het beste bij mijn leeftijd. Heren van 66+ worden wat stram in de heupen en knieën en ook de weersomstandigheden manifesteren zich indringender en ingrijpender dan vroeger.

Buienpost, bij Boxertwin. Aankoop California 2.

De vervanger moest een Guzzi van het type California worden. Waarom? Ten eerste omdat ik ‘iets’ met Italiaanse motoren heb, in het bijzonder ook met Guzzi’s. Afgezien van mijn Ducatiperiode had ik gedurende de jaren nul van deze eeuw al eens een Guzzi Le Mans 4 en een T3 caféracer bereden.

De Le Mans was tot streetfighter omgebouwd en daardoor vond ik haar best lelijk. De motor draaide geweldig, was krachtig en stuurde prima, al was het 16 inch voorwiel wel even wennen. We zitten inmiddels in 2008 en bij Motoport Hippolytushoef kwam ik een Ducati Monster 1000 tegen. Die wekte nogal mijn hebzucht op, dus de Le Mans moest wijken. Nooit spijt van gehad, want wat een machine, die Duc. Waar ik wél spijt van kreeg was dat ik de Monster een jaar of acht later weer verkocht. Waarom toch, alleen voor het vullen van een tijdelijk wat lege beurs? Dom!

Oktober 2008. Daar ging de le Mans alweer naar een nieuwe eigenaar. (Foto: Inge van Hesteren)

Over de T3-caféracer heb ik nog een verhaal. De dag van aankoop herinner ik me levendig. Dat moet 2009 geweest zijn. Tijdens de proefrit door de buitenwijken van Leeuwarden was ik bij een rotonde aan het uitproberen hoe de ligging in de bocht was. Niet goed, bleek meteen, want ik eindigde in een regen van vonken op mijn achterwerk. Gelukkig ging het niet hard, maar de Guzzi was beschadigd. Ja, wat doe je dan, als je de motor van een ander stukmaakt? De man keek zuinig, ik had toch al plannen met de caféracer, ze was leuk om te zien en met 1500 euro was de vraagprijs niet hoog. Gewoon maar betaald en op de aanhanger geladen. Pas later in Harlingen viel het me op dat de achterband slechts 0,8 atmosfeer druk had. De verkoper, de sukkel, had me daarmee weggestuurd – een moordaanslag! Ik heb het er maar bij gelaten.

Juni 2009. Moto Guzzi Caféracer 850 cc T3 1981. (Foto: Inge van Hesteren)

Ik vond de T3 maar een traag ding. De clip-ons gaven ook problemen. Een ritje naar de Caféracerdag in Achterveld beviel me matig. Wél leuk dat mijn motorvriend Oege Reitsma er die dag bij was. Jarenlang roepen we tegen elkaar dat we samen gaan motorrijden en zelden komt het er van.
Het punt was, ook toen al was ik te oud om urenlang over de tank te hangen. Demoracen bij de SAM misschien? Ik meldde al dat ze traag was, en met haar 850 cc paste de caféracer eigenlijk niet in de 750-formule. Mooi gegeven: in 2010 verkocht ik deze Moto Guzzi via Marktplaats aan een Belg. Op weg naar een reportage over de GP van Chimay leverden Inge en ik de motor aan hem af. Op de terugweg naar Harlingen haalden we van het wisselgeld bij Hans Peter van Phoenix AZ Motoren in Best (voorstad Eindhoven) mijn huidige XS-racer op – het begin van mijn tijd met klassiek racen.

De California

Goed, de California dus. Deze trof ik in mei 2020 aan bij Thijs ‘Boxerlijn‘ Hut, een handelaar-liefhebber in het Friese Buitenpost.  Ik kon bij Thijs kiezen uit drie varianten van de California: een 850 cc California 1 uit 1978, een 1000 cc California 2 uit 1987 en een 1100 cc California 3 uit 1993. De laatstgenoemde zal ongetwijfeld de beste zijn, maar de styling stond me niet aan, ondanks de laagste prijs van de drie. Die van 1978 was de mooiste – wielen met draadspaken, ronde klepdeksels en cilinders – maar ze verkeerde in slordige staat en was het duurst. Hoe ouder, hoe hoger de waarde, zo gaat het met deze modellen. Dus kiezen vond ik niet moeilijk: de middelste in leeftijd en vraagprijs, de 1987’er! De laatste van de in mijn ogen best ogende modellenserie, met een prima klinkend en lopend blokje, met één liter cilinderinhoud. Een korte proefrit was voldoende. De deal met Thijs was rond en ik heb er geen spijt van gekregen.

Zijlentocht, mei 2020. Dokkumer Nieuwe Zijlen, één van de mooiste plekken van Friesland.

Waar ik naar op zoek was geweest: een comfortabele reismotor, met windbescherming, koffers voor troep die je wil meenemen, betrouwbare en toegankelijke techniek, cardanaandrijving en bovenal: een motorblok dat schudt, dreunt, roffelt en snort. Missie volbracht. Vóór het raceseizoen echt begon had ik tijd voor een rondje Friesland-Groningen. Laat ik dat maar de ‘zijlentoer’ noemen, want ik bezocht achtereenvolgens Auwe Syl, Ezumazijl, Noordpolderzijl en Dokkumer Nieuwe Zijlen. In Noord-Nederland staat dat woord voor ‘sluizen’. Denk ook aan Delfzijl bijvoorbeeld, een plaats die ik – samen met mijn oudste zoon – in het latere najaar zou bezoeken tijdens een Rondje Nederland. Daarover later.

Mettet met Black Mamba Racing

Een deel van juni hadden mijn vriendin Elise en ik besteed aan het varen met de vrachtspits ‘Manna’. Werken, maar tegelijkertijd een soort vakantie eigenlijk. In onze stuurhut, een coronaveilige ‘bubbel’, voeren Elise en ik door België en Noord-Frankrijk. ‘Slow travel’, met veertig meter en 340 ton ijzeren rollen voor onze neus. Lees erover in ‘Een kort scheepvaartjaar‘, ook in dit weblog.

Schipperen langs Sambre, Maas, Schelde, Leie, Canal du Nord en Oise met de Manna.

Daarna was het al juli. Johan Emmers uit Budel is de grote man achter Black Mamba Racing. Hij had in juli én in augustus een classicsdag ingehuurd bij de Belgische organisatie Trackdays.be.
Elise en ik besloten samen te gaan. De twaalf dagen aan boord van de spits hadden ons geleerd dat we goed reisgezelschap vormden, zonder dat we elkaar in de haren hoefden te vliegen. Het bleef wennen, een nieuwe relatie na het overlijden van Inge, met wie ik 44 jaar samen was. Zoals het toen was wordt het nooit meer en dat moet je niet willen ook. Dus het moest anders dan voorheen; dat gold voor mij én voor Elise – net als ik doet ze de dingen graag zoals zij zelf wil. Dus het samen op weg zijn betekende voor allebei een beetje omschakelen.

Op weg naar Mettet. Tussenstop in Antwerpen. Even samen met Elise de Schelde bekijken vanaf Het Steen.

Onderweg naar Wallonië maakten we een tussenstop aan de Schelde in Antwerpen. Drie weken eerder hadden we met de ‘Manna’ op de rivier gevaren. Nu waren we toeristen, onderweg naar het circuit in Mettet. Heel bijzonder, al die verschillende rollen die je in korte tijd kan hebben. En heel raar, de sfeer die er hing in de grote Scheldestad. Mondkapjes, anderhalve meter, enzovoort. Enfin, we deden een koffie, wandelden langs Het Steen en reden verder. De volgende dag zou ik wat rondes rijden met Black Mamba. Zin in!

Bromvliegen

Ik vond het bijzonder geinig om de zes beschikbare sessies te rijden, samen met overwegend 50cc en 125cc ‘bromvliegen’. Vooral, omdat ze in het bochtenwerk nogal wendbaar en scherp bleken. Met mijn 165 kilo aan oud ijzer en gecombineerd met 123 kilo eigen gewicht had ik in die bochten heel wat moeite met hen. Gelukkig was het rechte eind behoorlijk lang en kon ik daar mijn 62 achterwiel-pk’s aan het werk zetten. Zo bleef mijn zelfrespect tenminste nog een klein beetje overeind. Hoewel… Zo halverwege start-finish passeerde ik Johan Emmers met zijn brommer, waarna ik dacht: ‘Nou ben ik van hem af’. Héél kort voor de bocht, zo dacht ik, remde ik zo laat mogelijk, maar dáár kwam Johan me buitenom voorbijgevlogen. In de links-rechtscombinaties die daarna volgden kon ik hem niet bijblijven en pas op het rechte stuk lukte dat weer. En zo ging dat ronde na ronde. Leuk!

Juli 2020. Mettet. (Foto: Theo Triphof)

Ze deden het goed, wat coronamaatregelen betreft, de mensen van Trackdays.be. Afstand houden, mondkapjes zoveel mogelijk op, geen grote mensenconcentraties in de paddock. De zaken waren overigens dik voor mekaar daar op het circuit Jules Tacheny. Water, elektriciteit, afvalbakken, het was er allemaal. De douches en wc’s waren deels gesloten, maar ook dat was werkbaar.

Op de terugweg naar Harlingen maakten we een tussenstop in Princenhage, Breda. Een heel bekende plek. Op de Oude Liesboslaan 207 heb ik een groot deel van mijn jeugd doorgebracht. Het stond er nog, het uit begin vorige eeuw stammende huis waar onze ouders twee decennia aan gebouwd en verbouwd hebben. En fijn gewoond natuurlijk. Als kind had ik natuurlijk helemaal geen idee, maar met de kennis die ik nu heb zou ik de architectuur late Jugendstil of Art Nouveau kunnen noemen. Mijn broer Marnix vond dat ook, nadat ik de foto hieronder op Facebook had geplaatst. Wie denkt dat het anders is mag het zeggen.

Jugendstil bij Liesbos Breda.

Ik herinner me nog goed de ijswinter van 1963. De Elfstedentocht werd verreden. We woonden er nog maar kort en we hadden in die tijd alleen maar kolenkachels. Eén in de woonkamer en één in de woonkeuken. In de rest van de kamers hingen de ijspegels aan de gordijnen. Geld voor dubbele ramen of isolatie was er niet, voor zover dat toen al bestond. En toch hebben Marnix en ik warme herinneringen aan die tijd.
De jaren spelen een vreemd spel met ons. Geborgenheid, liefde en saamhorigheid, wat is het fijn als je dat in je jongste jaren meekrijgt. In dit huis woonde ik vanaf 1963, totdat ik in 1975 samen met Inge naar een eigen woonplek verhuisde.

Wordt vervolgd in deel 5

3 thoughts on “Schudden, dreunen, roffelen en snorren (4)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *